donderdag, februari 10, 2011

Twit twit twit

Dat het boek er was, wist ik al; ook dat er een recente herdruk was. En een tijdje terug liep ik er pas opeens tegenaan (bij wijze van spreken) in de boekhandel, waar het op zo'n schuin gemonteerde plank lag. En nu ligt het thuis mooi te wezen (het was helemaal niet duur bovendien). Ergens. The Waste Land. A Facsimile and Transcript of the Original Drafts including the Annotations of Ezra Pound. Edited by Valerie Elliot. Revised paperback edition London, Faber and Faber 2010.

Volgens de flap 'a reissue, with corrections, of the 1980 reprint' van het oorspronkelijk in 1971 verschenen boek; en achterin zit ook nog eens de tekst van de eerst gepubliceerde versie van het werk, uit 1922. Zo wordt begrijpelijk dat een groot (220 x 275 mm) boek van 149 zware bladzijden nodig is voor een tekst van 433 regels.

Wat een onzin dit boek te kopen. Ik heb al een tweetalige Eliot-verzameling samengesteld door Bronzwaer (1983) bevattende een vertaling van Braakland, een tweetalige editie van alleen Het barre land door Claes (2007), een Penguin pocket met 'a selection by the Author' (1951, een reprint van1948) en een Collected Poems (1985, met een lange drukgeschiedenis). Zwijg ik nog van A Student's Guide to the Selected Poems of T.S. Eliot (1981, met eveneens een lange drukgeschiedenis)

Dat Pounds notities erbij inbegrepen zijn, had niet in de titel vermeld hoeven worden, want zonder die zouden het nooit 'the Original Drafts' kunnen zijn geweest. Op pagina 4 van het typoscript van 'The Fire Sermon' noteert hij bij de eerste strofe: 'qui dira les gaffers de la rime'. En op pagina 5, nee, tikfout van Elliot, 6 dus, streept hij 'may' door en noteert: 'make up | yr. mind | you Tiresias | if you know | know damn well | or | else you | dont.'

Elders: 'dam per'apsez'. Het is zo boeiend om door een stuk ontstaansgeschiedenis te bladeren van een beroemde tekst. Niet dat ik denk dat nu wel de sleutel op zal duiken ergens in al die marginalia, maar kijken naar dat maken, dat schaven en bijsturen is fascinerend.

Maar ik heb er helemaal geen tijd voor. Want ik ben onder andere doende het werk na te kijken van een groep studenten die in het college Lezen en Laten Lezen via e-Laborate van het Huygens Instituut gewerkt hebben aan de door Annemarie Kets opgezette digitale editie van de correspondentie van Albert Verwey. En dat is niet minder intrigerend. Je leest er hoe Verwey en Henriëtte - toen nog gewoon - van der Schalk de ontwikkeling van Herman Gorter bespreken (Verwey noemt de verse Spinozist een 'dryver' - geestig, jaren later omschreef P.N. van Eyck, Verweys leer- en volgeling, zichzelf als 'een zeloot van een pantheïst'); hoe Verlaine twee weken door Nederland ging; hoe Maeterlincks Pelléas et Mélisande in Nederland werd opgevoerd; dat Kobus van Looy de stad in de zomer ontvlucht wegens malaria en zijn heil zoekt in Limburg.

Als een nachtkaars; maar ik moest naar de uitreiking van de certificaten van de Educatieve minor!

P.S.
Goed voorgedragen poëzie, daar lust ik pap van. Maar Old Possum zelf serveert iets anders; luister maar.

zondag, januari 23, 2011

Liever geen Halbe maatregelen

Toen de staatssecretaris dreigde te gaan spreken, betrok de hemel...Op de ministeriële profielpagina van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staat: 'Studeren is investeren in jezelf.' Hoe cynisch een zakelijke tekst toch kan blijken te zijn, want hier staat in andere woorden: zoek het zelf maar uit, student.

woensdag, januari 19, 2011

Diep-duinwaterblauw

Deze licht-neologistische kleuraanduiding heeft betrekking op de inhoud van die schitterende fles 'vulpen-inkt' die ik jongstleden november heb aangeschaft bij de firma P.W. Akkerman in de Passage te Den Haag. Als de goden op de Olympus de schrijfkunst machtig waren, dan ken ik hun inkt. En hoewel veel in de omgeving neigt en mij dringt naar digitalisering - aan te leveren kopij, te corrigeren nota's en eindwerkstukken, samen te stellen readers, studiegidsen, leeromgevingen, dagboekachtige notities niet te vergeten, correspondentie - blijf ik zoeken naar smoezen en aanleidingen om - na precies het voor die specifieke gelegenheid geschikte papier gevonden te hebben - de dop van de Pelikan te kunnen schroeven. Soms noteer ik dan inderdaad slechts onzin als deze.

maandag, januari 17, 2011

Schrijvers voor schrijvers

Vanaf vandaag, 17 januari 2011, is www.literairedebuten.nl actief, waar alle Nederlandse literaire fictiedebuten de nodige aandacht zullen krijgen.

De literaire boekenmarkt is tegenwoordig sterk gericht op bestsellers, waardoor debuten minder kans maken op een goede positionering in de schappen van de boekhandel. Ook worden zij vaak overgeslagen bij de keuze die kranten en tijdschriften maken bij de te recenseren nieuwe titels.

Om te zorgen dat boeken van nieuwe schrijvers enige aandacht krijgen, hebben schrijver Hans Vervoort en redacteur/vertaler/journalist Erik de Vries de website opgezet. Zij deden een beroep op de leden van de Vereniging van Letterkundigen om hun nieuwe collega's te hulp te komen door hun boeken te lezen en te recenseren. Er meldden zich 45 recensenten aan die pro bono de debuten (jaarlijks ca. 70) zullen bespreken.

Nieuw op recensententerrein is de mogelijkheid die de auteur krijgt om te reageren op de bespreking van zijn werk.

Voor meer informatie: info@literairedebuten.nl

[vrij naar het persbericht]

vrijdag, januari 14, 2011

Mierzoet, doorzichtig en uiterst zijïg

Kom, dacht ik, laat ik ook eens over de grens lezen. Voor leesclub Transitie staat het veel geprezen essay De barbaren van Alessandro Baricco op het programma (vrijdag 11 februari 2011, 15:15 uur, Drift 21, zaal 1.08). Het oordeel over dat boek draag ik nog even in mij om. Maar achterop staat dat de auteur in 1997 internationaal doorbrak (niet als in: hernia, maar als in: door de enge landsgrenzen der belangstelling en waardering) met zijn roman Zijde en dat sindsdien al zijn romans en essays wereldwijd vertaald worden.

Zijde verscheen voor het eerst in 1996 onder de titel Seta. De eerste Nederlandstalige uitgave verscheen bij De Geus (Breda 1997); de vertaling is van Manon Smits. Onlangs kocht ik, parallel aan De barbaren, de 12e Nederlandse druk (De Geus, Breda 2008).

Het is een werkelijk prachtig boekje (nauwelijks groter dan een kwart A4), een hardcovertje met stofomslag, bevattende 120 bladzijdjes die kraakhelder zijn gezet en scherp gedrukt, met een mooie initaal aan het begin van ieder van de maar liefst 65 geornamenteerd-genummerde hoofdstukken, herstel: hoofdstukjes, want er zijn er die nog geen bladzijdje beslaan en er is er maar één dat langer is dan drie bladzijdjes (nl. vijf).


Het is een vertelling die geheel volgens allerlei regeltjes is geschreven (in de NRC van 23 juni 2000 zie ik de auteur aangeduid als: directeur van een Turijnse schrijversvakschool). En vooral niet te moeilijk. Met lekker veel herhalingen. Letterlijke. En als ik zeg: letterlijke herhalingen, dan bedoel ik ook: letterlijke herhalingen. Voor als je nog geen hekel had aan de alwetende vertelinstantie, die, denk ik, eigenlijk Alessandro Baricco heet. Want aan de eigenlijke vertelling gaat een inleidinkje vooraf, ondertekend met 'A.B.', dat aldus begint:
Dit is geen roman. En ook geen verhaal. Dit is een geschiedenis. Ze begint met een man die naar de andere kant van de wereld gaat, en ze eindigt met een meer dat daar maar ligt te liggen, op een winderige dag. De man heet Hervé Joncour. Hoe het meer heet is onbekend.
Hij legt ook uit dat je 'zou kunnen zeggen dat het een liefdesgeschiedenis is.' En jawel: 'Er komen verlangens in voor, en pijnen, die je heel goed kent, maar je hebt er geen echte naam voor om ze mee aan te duiden.' Johee! En dan nog dit: 'Misschien is het goed om te verduidelijken [let wel: er wordt iets verduidelijkt] dat het om een negentiende-eeuwse geschiedenis gaat [alsof er achterop niet staat: 'INTERNATIONALE BESTSELLER / Zuid-Frankrijk, 1861.'] dan hoeft niemand vliegtuigen, wasmachines en psychoanalisten te verwachten. Die komen er namelijk niet in voor.'

Het is helemaal het Bariccobarbarentoontje, van dat Ikea-proza. Je voelt je als lezer niet eens benaderd als barbaar, maar als ware je een halve culturele debiel, een halfgeletterde schoenzool. Man, vrouw, toeval, het mysterieuze Japan, de diepe oogopslag, de op de achtergrond net niet kwijnende maar oh zo trouwe, niet versagende echtgenote. En eind goed in Raffung alles goed.

Uitgeverij De Geus heeft wel een heel erg treffend plaatje op het omslag weten te zetten. Ik ken dat genre eigenlijk alleen van slappekaftboekjes van uitgeverij Harlequin en dier gelijken. Maar hier heeft zich toch werkelijk een barbaar tussen de literatoren weten te dringen, lijkt het wel.

Als blurb wordt de NRC geciteerd: 'Zijde is in diverse opzichten een mooi boek.' Vooral materieel, wat mij betreft. Maar ik zie het verkeerd. Het boek is een grootverkoper, het is verfilmd (maar kennelijk zo dat er geen spaan van over blijft) en er is een hoorspel van gemaakt. Horen, zien en lezen. Het is wachten op de game-versie. Voortaan toch maar weer de recensies lezen alvorens de aanschaf van een cultuurproduct te overwegen.

maandag, januari 10, 2011

Een nieuw jaar en een nieuwe kamer

Door omstandigheden die velen niet in de hand hebben, of om Brakman - meen ik - aan te halen: door een regie van hoger hand dan de mijne is mijn oude kamer thans de flexplek van anderen en de kamer van anderen thans de flexplek van Joke, Laurens, Daan en mij. Dat 'thans' ving ergens in november 2010 al voorzichtig aan, concretiseerde meer en meer in december, ontplooide zich verder in week 1 van 2011 en wordt nog verder uitontwikkeld in deze tweede week en het is nog maar te hopen dat die camera formans zich als de gesmeerde bliksem omzet tot een camera formata want er is werk aan de winkel. Vooralsnog is het behelpen.

Er ontbreken nog wat essentialia. Gelukkig is het bureaublad elektronisch verticaal verstelbaar (nooit geweten dat ik daar nog eens behoefte aan zou krijgen).

Als alles er is - en alles, zo is ons verzekerd, zal er komen - dan krijgen we het volgende onderwerp: hoe met z'n vieren te werken aan drie bureaus en drie computers. Een deels mathematisch probleem dat ons alfabrein zal breken. Maar hoe meer zielen, hoe meer vreugd, waar een wil is, is een weg, een kat in het nauw maakt rare sprongen, het bloed kruipt, waar het niet gaan kan, honger maakt rauwe bonen zoet, de kost gaat voor de baat uit, wie dan leeft, dan zorgt, zoolang de geestdrift om de ruimten spant / een firmament van intellect en droom.

zondag, november 28, 2010

Post-canonisatie?

Niet eromheen gedraaid: nooit heb ik dit roemruchte boek, waarvan één van mijn Achterberggabbers gisteren tijdens de Haagse stadswandeling in het kader van het Achterberg-symposium bekende het destijds als plusminus vijftienjarige met aangloeiende oren gelezen te hebben, gelezen. (Wil er nog iemand een voorbeeld van slechte tangconstructie?) Maar nu moet het ervan komen want een student wil het boek gebruiken voor zijn BA-eindwerkstuk. Ik ben op pagina 30 (van de 343) en het valt nog niet tegen, in aanmerking genomen dat het een schelmenroman is, met alle heldachtige hypertrofieën van dien.

Maar voorlopig vond ik twee paratekstualia interessanter dan de inhoud. Ten eerste het gegeven dat het mij door de UBU toegezonden scheefgelezen exemplaar kennelijk bewaard wordt/werd in de collectie van het Criminologisch Instituut Utrecht, terwijl in wat voorheen de Letterenbibliotheek was, en thans UB Binnenstad heet, zich in de collectie Nederlands alleen een exemplaar bevindt van de 34e druk uit 1976. Vreemde wezens, die criminologen en filologen.

Ik Jan Cremer verscheen in februari 1964 als nummer 64 van de beroemde reeks Literaire Reuzenpockets Moderne Nederlandse Literatuur van De Bezige Bij. Het eerste werk in die reeks was Harry Mulisch' Het stenen bruidsbed (mei 1959). Opmerkelijk vind ik dat in het exemplaar van de tweede druk van Ik jan Cremer dat ik nu lees, verschenen in maart 1964, een lijst van de LRP's is opgenomen, die maar liefst 95 nummers telt (de laatste is dan Mens en engel van Adriaan Morriën). Zijn er in één maand tijds werkelijk eenendertig nieuwe LRP's verschenen? Wat een weelde.

Omdat niet al die 95 nummers op één pagina pasten (of om andere redenen) is niet de volledige lijst afgedrukt. Dat maakt me heel nieuwsgierig. Wat waren bijvoorbeeld de nummers 6 en 7 die verschenen tussen De koele minnaar van Claus en Het dier heeft een mens getekend van Schierbeek? Welke romans stonden tussen Het afscheid van Michiels en De vadsige koningen van Raes? Wat was nr. 63, wat nr. 67? Kortom: welke boeken waren aanvankelijk wel in de reeks opgenomen, maar werden anno 1964 door de Bij niet meer belangrijk genoeg geacht om in die lijst genoemd te worden?

zaterdag, november 20, 2010

Lees wat je schreef

In De volkskrant van heden, 20-11-2010, schrijft Malou van Hintum in het katern Wetenschap op pagina 4:
De Amsterdamse onderzoeker [Camiel Beukeboom, VU] adviseert mensen die onbevooroordeeld willen communiceren [...], zich bewust te zijn van hun woordkeus, en geen ontkenningen te gebruiken.
Als ik zoiets lees, op de dag dat ik een gisteren gestrande treinreiziger over 's lands sneldreven naar zijn woonst heb gebracht, barst ik niet in huilen uit.

maandag, november 08, 2010

De hermeneut gaat onderuit

Onlangs werd ik via de e-mail door iemand, de aanbieder, attent gemaakt op een advertentie op Marktplaats.nl omdat daar onder meer het volgende te lezen stond:
(Emile Richebourg) Twee moeders. (Vert. d. Jacques Perk) Bijlage van Nieuwsblad voor Nederland (De Hollandsche Illustratie? zie onder) (ca. 1880). Geillustreerd. (Uiteraard) beschadigd ex. zeldzaam.

• Zie Jacques Perk Gedichten (ed. Fabian Stolk, 1999), noot 57: (...) eerder vertaalde hij van Em. Richebourg Deux mères, gepubliceerd in De Hollandsche illustratie (1878-1879).' Bibliografisch is het me nog niet helemaal duidelijk en zet bij deze beschrijving dan ook een (?), hoe dan ook schaarse Perkiana.
En inderdaad, zo staat dat in dit citaat geciteerde in de Perk-editie die ik dik tien, zeg maar gerust: elf jaar geleden in het licht gaf (inmiddels makkelijk na te lezen in de DBNL, noot 57 bij de 'Voorrede' van Carel Vosmaer). Waar in de quote drie puntjes staan, staat in de bron:
Het gaat hier [namelijk in een door Vosmaer aangehaalde brief van Perk aan hem, d.d. 30 december 1880] om de vertaling ‘De dokter’, gepubliceerd in De Hollandsche illustratie (1880-1881);
Ik heb destijds, bezig met die editie van Perks eigen gedichten, me niet bijzonder bekommerd om zijn prozavertalingen en niet de moeite genomen om die vertalingen op te zoeken en eigenogig te raadplegen. Boeide me niet in die context. Ik voer dus maar gemakshalve op de koers van good old Garmt Stuiveling, in wiens editie van Perks Brieven en dokumenten (Amsterdam 1959) op p. 275 in een cursieve toelichting staat:
De door Perk vertaalde franse roman is: De dokter (Hollandsche Illustratie, jrg. 1880-1881). In 1878-1879 was daar van zijn hand reeds de vertaling verschenen van: Deux Mères, door Em. Richebourg.
Ik meen me nu te mogen herinneren dat ik die vertalingen destijds best wel even gezocht, maar niet gevonden heb.

Dol op oude boeken, en gecharmeerd door de e-mail van de boekaanbieder, en geprikkeld door de door hem gesignaleerde onduidelijkheid, dacht ik: Kom op, doe eens gek, en doe een bod op die roman die je toch nooit van je leven zal lezen. Hoppa: zevenentwintig-vijftig; een knaak, zegge: tien percent, boven de vraagprijs. En jawel: vrijwel meteen gaat er een oud-Hollandse boekenaasgier één euro boven zitten.* Dat kon ik ook (baas boven baas, gierig boven de gier); en die ander vervolgens op zijn beurt ook weer. Vrije markt heet dat zeker. Maar toen dacht ik: Aan mijn antiquarische hoela; ik doe het nog één keer: ouder is Christus niet geworden in jaren, meer bied ik niet aan hedendaagse zilverlingen: drieëndertig euren.

Lang verhaal kort: ik verloor opnieuw. Althans, het boek staat anno vandaag als gereserveeerd te boek; verkocht is het kennelijk toch nog niet.

Dat zal me inmiddels een zomerzorg zijn. Kon ik het boek een decennium geleden niet vinden, heden duikt die vertaling van Deux mères bij een digitale zoektocht zeer snel op. Hij wordt onder andere bewaard in de KB te Den Haag. En terwijl 'mijn' brave UB te Utrecht werken van vóór 1900 - ongeacht hun staat - alleen ter inzage aanbiedt in de gewijde sferen van de Leeszaal Bijzondere Collecties hoog in de Uithofse zwarte doos, levert de KB me dit fragiele boekwerk via het InterBibliothecair Leenverkeer in een oogwenk en kon ik het zo van de plank in de UB-Binnenstad pakken. Geweldig makkelijk (hoewel ik het eigenlijk betreur dat ik er niet apart voor naar die geklimatiseerde heilige boekenhal hoefde).

Eén blik en ja hoor: nat! 'Some lessons we learn the hard way / some lessons don't come easy / and that's the price we have to pay', zingt Melody Gardot regelmatig op m'n hoortoestelletje.

'Feuilleton van het Zondagsblad / van het / Nieuwsblad voor Nederland.'

Steeds weer vertel ik mijn studenten: Alles wat je overneemt, dat voorzie je van een heldere, volledige bronvermelding, zodat een eventuele fout niet op jouw conto, maar op dat van je bron komt. Ecce interpres, op z'n blaren.


* 18-11-2010: oh o o, hoe onbetamelijk, een 69-jarige verzamelaarster, die al 150 dan wel 250 eerste drukken van werk van Tachtigers heeft, zo aan te duiden. Het betreft hier Myriam Gommers-Simonis. Die twee moeders zijn daar dus in goed gezelschap. Het spijt me dat ik de prijs ervan zo opgedreven heb.

vrijdag, oktober 15, 2010

Academica Debutantenprijs

Onlangs is de onderstaande brief niet opgenomen in het NRC-Handelsblad, waarschijnlijk wegens 'te lang'. Graag bied ik de brief bij dezen een tweede kans.

Literaire prijs zonder kapsones

Een kapsoneslijer vindt Franca Treur volgens mij Ernest van der Kwast (NRC Handelsblad, 7 oktober). Ze vindt hem een soort druktemaker die zich, zoals meer schrijvers, genoodzaakt ziet zichzelf in de markt te zetten, omdat hij op een volgens haar nogal verwerpelijke manier om aandacht vraagt. Volstrekt terecht stelt zij dat schrijvers gelezen willen worden en dat zij niet beoordeeld of gewaardeerd moeten worden op iets anders dan hun schrijfsels. Vorm dus en geen vent.

Volkomen onterecht echter deelt Treur mee dat de NS Publieksprijs de enige literaire prijs is die toegekend wordt door 'alle mensen die van lezen houden'. Los van het feit dat iedere halvabeet op de site van de NS Publieksprijs op een knop kan drukken van een voorbijtrekkend boek in een boekencarrousel om zijn stem uit te brengen, is zij er blijkbaar niet van op de hoogte dat al vijftien jaar de Academica Debutantenprijs bestaat (de eerste twaalf jaar als DebutantenPrijs). Geen prijs voor gevestigde namen of overbekende boeken, maar een prijs voor debuterende auteurs. Is het een een duplicaat van de Selexyz debuutprijs, die Treur onlangs won, of van de tweejaarlijkse Anton Wachterprijs, die recent naar Maartje Wortel ging? Zeker niet. De laatste twee prijzen worden uitgedeeld door een literair geschoolde vakjury, zoals je die bijvoorbeeld ook vindt bij de AKO, de Libris, de Gouden Uil of de Gouden Griffel.

Het bijzonder aardige van de Academica Debutantenprijs, en dat zal Treur uit het hart zijn gegrepen, is nu juist dat lezers – echte en kritische lezers, geen knopdrukkers – het laatste woord hebben. De, ook literair geschoolde, nominatiejury van de Academica Debutantenprijs nomineert uit het totale aanbod van een jaar fictiedebuten uiteindelijk vijf boeken die op een shortlist komen, nadat er een longlist van ongeveer vijftien boeken is gepubliceerd. De vijf genomineerde boeken worden door honderden lezers in Nederland en Vlaanderen gelezen en beoordeeld. Vaak zij zijn aangesloten bij leesgroepen van bibliotheken. Ook wij kennen een kernjury: lezers die zich vóór de bekendmaking van de genomineerde boeken aanmelden om alle vijf de boeken te lezen. Die stemmen tellen aanzienlijk zwaarder dan de stem van de individuele lezer die soms minder boeken beoordeelt. Blijft altijd de mogelijkheid, óók bij de door Treur bewierookte jury van de NS Publieksprijs, dat lezers maar wat doen: half lezen, niet lezen, vriendjespolitiek bedrijven, stemmen op een leuk hoofd. Dat is het risico van een 'publieksjury'.

Het voert te ver om hier uit de doeken te doen hoe wij omgaan met 'onze' genomineerde auteurs, hoe wij proberen hen 'in de markt te zetten' en hoe wij bij de bekendmaking en prijsuitreiking trachten aandacht te hebben voor álle genomineerden. Vraag dat onze prijswinnaars en genomineerden van de afgelopen vijftien jaar. Dat Franca Treur dat niet weet, komt niet door ons. Ook het door mij gewaardeerde NRC-Handelsblad vergeet stelselmatig ook maar iets te schrijven over deze prachtprijs. Voor degenen die nieuwsgierig zijn geworden: zie www.academicadebutantenprijs.nl, ook voor degenen die zich binnenkort willen opgeven als jurylid voor de prijs van 2011. Franca Treur is van harte welkom.

Casper Markesteijn, voorzitter nominatiejury Academica Debutantenprijs

maandag, oktober 11, 2010

Richard III

Het is niet omdat mijn tweede doopnaam Richard is. Het is niet omdat ik heel erg veel Waits op voorraad heb. Het is niet omdat ik Gijs Scholten van Aschat in Tirza zag schitteren bij de opening van het Nederlands Filmfestival (en ook eerder, ook op tv, in andere producties). Het is niet omdat die Sadistst me hadden overtuigd tijdens de Parade een jaar geleden. Het is niet omdat de Amsterdamse schouwburg een erg fraaie theatertent is. Het is niet omdat ik het waanzinnige affiche (op de koelkast) al zo goed vond. Het is niet omdat het afgelopen zondag zulk mooi weer was. Het is niet omdat ik met voorkennis van een en ander een tijdje terug Koning Richard de Derde las in De werken van William Shakespeare vertaald door Dr. L.A.J. Burgersdijk. Vijfde deel. Leiden, E.J. Brill 1886, p. 1-170; zo diep was ik nu ook weer niet onder de indruk van het gelezen stuk. Maar al dat kan ertoe hebben bijgedragen dat de uitvoering van het stuk op zondag 10 oktober jongstleden een overdonderende indruk heeft gemaakt. Maar ik denk dat het eigenlijk en helemaal alleen aan die voorstelling lag.

Terwijl ik niet van opera houd, en minder nog van musical, ging dit klaterende muzikaal-theatrale spektakel er vanaf de eerste minuut, vanaf de eerste maat in als benzodiazepine in een aartsneuroot, of juist als adrenaline in een apathicus. De in Shakespeare's optiek wellicht volkomen unzeitgemäße muziek vormt namelijk een wel bijzonder goed in de dramatiek, in de theatraliteit, de tragiek en de hectiek van het geheel geïntegreerd onderdeel. Meteen al bij de opening, als Richard en zijn trawanten stampend als een meute tribale mastodonten op de zware muziek van Waits' 'Misery is the river of the world' duidelijk maken dat ze weinig goeds in de zin hebben en zich daar met geen mogelijkheid van laten weerhouden. Pure dreiging. En het toch al cynische 'God's away on business' krijgt een heel grote reikwijdte dankzij dit stuk; ook zonder enige zinspeling op de actualiteit.

En dan de geniale manier waarop iedere moord - en dat zijn er nogal wat in dit stuk - theatraal wordt vormgegeven, niet met primitief geploeter met kartonnenn messen en lullige sterfscènes vol 'ach' en 'wee', maar met behulp van enorme metalen decorstukken, die al lang van tevoren langzaam, onmerkbaar bijna, naar beneden kwamen dalen, waartussendoor iedere dode af gaat, en met de zakken vol met zooi die daartegenaan met donderende herrie te pletter slaan, zodat naar mate het stuk vordert, het toneel steeds verder vol komt te liggen met de lijfelijke aanwezigheid van een afzichtelijke berg ongegeneerde rotzooi, waardoor het failliet van Richard III op een gegeven moment niet meer van het toneel en ook niet van je netvlies te wissen is.

En dan mag toch zeker ook niet verzwegen worden het fenomenale en met tal van subtiele en heel grove details doospekte spel van de mank lopende, aan één hand rammelend mismaakte, maar steeds feilloos redenerende en zijn teksten zeer naturel eruit gooiende Scholten van Aschat/Richard III; alle actie, alle tekst, alle handeling weet die werkelijk op schijnbaar moeiteloze wijze naar zich toe te trekken.

Dat Vincent van Warmerdam (muzikale leiding), Matthijs Rümke (regie), Janine Brogt (dramaturgie) en Marc Warning, Arien de Vries, Stefan Dijkman en Robert van Delft (decor, kostuums, licht en geluid) en al die acteurs van dit meer dan vierhonderd jaar oude, en toen al op historische stof gebaseerde stuk zo'n overweldigende, overtuigende, overrompelende voorstelling weten te maken... ga daar maar eens naar kijken en luisteren. Dan weet je wat ik bedoel.

Misery: 11 oktober laatste voorstelling. Ongelooflijk.

Nagekomen bericht:

Hé ho, wat lees ik d.d. 15 oktober 2010 op de Orkater-site:
Van woensdag 17 augustus tot vrijdag 26 augustus 2011 is deze Shakespeare met Gijs Scholten van Aschat in de titelrol en muziek van Tom Waits en Kathleen Brennan weer exclusief in de Stadsschouwburg Amsterdam te zien.

De toegangskaarten zijn al in de verkoop en worden weer in het systeem van ‘dynamic pricing’, variabele prijzen verkocht. Dus wie eerder koopt betaalt de beste prijs. Naar mate voor een voorstellingsavond meer verkocht wordt, gaat de prijs omhoog. Snelle beslissers kunnen hiermee dus hun voordeel doen.

dinsdag, september 28, 2010

Hulpvraag

Wie heeft er een exemplaar van de gebonden versie van de eerste druk van H. Marsmans bundellange gedicht Tempel en kruis (Querido, Amsterdam 1940)?

Die zou mij kunnen helpen.

Zie in geval van bereidheid daartoe mijn oproep onder de titel 'Het edele handwerk' in de rubriek 'Werk in uitvoering' op het Platform teksteditie.

zaterdag, september 25, 2010

Kamerpoëzie


In het laatste blok van het voorgaande academiejaar gaven Geert Buelens en Wilbert Smulders de BA-cursus 'Het schrijven van poëzie'. Aan de cursus werd mede gewerkt door de dichters Wiljan van den Akker, Jan-Willem Anker, Esther Jansma en Astrid Lampe.

Een van de studenten, Anna Barbara Kolbe, heeft beeldend werk gemaakt bij gedichten die tijdens de cursus geschreven zijn. Deze beelden worden onder de titel 'Kamerpoëzie' tentoongesteld in de Universiteitsbibliotheek in de binnenstad, een prachtig(,) gerenoveerd gebouw met hier en daar Van Abbe-Museumachtige allure.


Met een korte causerie opende Wilbert Smulders de tentoonstelling op vrijdagavond 24 september 2010.


De tentoonstelling, die soms tot nederigheid dwingt, duurt tot 20 oktober 2010.

donderdag, augustus 26, 2010

Literatuurkritiek en internet

http://photos.jibble.org/[...]: Frosty Spider WebZie het vijfjarige Recensieweb, alwaar ik, met moeite, mijn huiver voor de rubriek 'reacties' toch maar eens getrotseerd heb, met een tekst die, naar ik hoop, niet de gure genre-eigenschappen heeft die internetreacties doorgaans zo - om het vriendelijk te formuleren - onaantrekkelijk maken.

maandag, augustus 09, 2010

Vakantielectuur

Na thuiskomst, ter afsluiting van de vakantie, toch nog het derde boek gelezen dat ik had meegenomen: Philippe Claudel, Quelques-uns des cent regrets. Gallimard, z.p. 2006 (oorspronkelijk 1999 volgens Wikipédia, 2000 volgens het boek zelf). Folio nr. 4357. Inderdaad, zo'n Franse heruitgavepocket, eenvoudig maar mooi: ieder hoofdstuk begint bijvoorbeeld op een rechterpagina, op blanco pagina's en op iedere laatste pagina van een hoofdstuk staat geen paginanummer; zo eenvoudig kan goede boekverzorging zijn.

Ik had dit boekje (181 bladzijden) drie jaar geleden al gekocht, in Troyes, op aanraden van een boekverkoopster die ik had gevraagd naar actuele of recente literatuur in levend vakantiefrans. Helaas ben ik dat jaar niet aan het boek toegekomen; het jaar erna gingen we naar Engeland, en daar lees ik geen Frans; vorig jaar ben ik het vergeten; dit jaar stond het geprogrammeerd na Madame Bovary en Les fleurs du mal. Dat was wat te veel gevraagd voor het verblijf aldaar. Maar nu is dat leesprogramma toch nog afgerond.

Het is grotendeels inderdaad een toegankelijk boek met een eenvoudige verhaallijn. Een man, de anonieme ik-verteller, keert naar het dorp van zijn jeugd terug om er zijn moeder te begraven, die hij niet meer heeft gezien, gesproken of geschreven sinds zijn zestiende (dacht ik; andere bronnen zeggen: sinds zestien jaar; misschien is hij twee-endertig als hij zijn verhaal vertelt). Zijn vader heeft hij nooit gekend. De actuele vertelling van de roman beslaat drie dagen, vol ontmoetingen met dorpelingen die veel aan de man vertellen; hij vertelt zelf niet zo veel aan die andere personages: alles wat hij te zeggen heeft is deze roman geworden. Daarnaast staat het boek - natuurlijk - vol jeugdherinneringen, met veel beschrijvingen, die het gebruik van een woordenboek noodzakelijk maken. Ik heb de roman evenwel in de vakantiemodus gelezen, dus zonder dictionaire, wat er onder andere toe heeft geleid dat het me is ontgaan dat de hotelier die de ik-verteller onderdak biedt, spataderen heeft; 'varices', wist ik veel.

Het is (afgezien van die spataderen) nogal een sentimenteel of sentimentalistisch boek over het leven (dat vooral, meer dan echt melancholisch) maar het eindigt ermee dat de man het antwoord op zijn ultime levensvraag - wie was zijn vader - uiteindelijk toch, welbewust, uit handen geeft; dat compenseert wat mij betreft veel van het wellicht wat goedkope sentiment.

Dat lezen in het Frans geeft me een extra genoegen: behalve het plezier van het boek is er het plezier van de taal. Wellicht doe ik een roman zonder woordenboek niet helemaal recht omdat ik lees zonder de souplesse van de geïntendeerde, Frans als moedertaal machtig zijnde lezer, maar daar staat tegenover dat ik allerlei woorden en begrippen die daar niet om vragen toch in eerste instantie letterlijk neem, al te letterlijk. Ik weet heus nog wel dat 'behang' in het Frans 'papier peint' is maar in eerste instantie lees ik toch 'beschilderd papier', wat behang in wezen ook is. En ook een 'oeuf de pigeon' is fraaier beschreven dan alleen maar een 'buil'. Zelfs als er van iemand gezegd wordt dat hij zijn soep drinkt 'avec une paille' schiet ik in de Franse geest eerder langs de waterkant dan bij een Nederlandse lectuur, waarin het rietje toch eenzelfde etymologische herkomst heeft.

De Franse titel is in dat licht ook zo interessant. Het Nederlands heeft immers geen zelfstandig (telbaar) equivalent voor 'regrets'. Toch zijn die 'dingen' noodzakelijk voor een volledig begrip van de roman, want Jos, de hotelier, vertelt aan de man dat zijn oom hem in zijn jeugd eens een legende vertelde (ingewikkelder wordt het boek nergens), die inhoudt dat
les coquillages, quand ils se blessent dans la mer, pour calmer leur blessure et la guérir, ils font de belles perles tout autour, [...], de vrais trésors qui possèdent le souvenir, la mémoire de la blessure... Eh bien nous autres les hommes, quand on se blesse, ou qu'on blesse quelqu'un, nos perles à nous, ce sont les regrets, on se fabrique de beaux regrets, et dans une vie, qu'on soit prince, cordonnier ou sénateur, nos regrets sont écris sur un grand livre, [...] ils sont écrits et comptés, et chaque fois qu'un regret est écrit, on pleure, on souffre en pensant à lui, mais ça nous donne la force d'aller vers le suivant, et ainsi se passe la vie, [...], de regret en regret, comme un saute-mouton, la vie dans laquelle nous avons cent regrets, pas un de plus, pas un de moins, [...], cent regrets [...] et quand le centième est écrit sur le grand livre, Le livre de dettes, quand il est bien écrit avec belle écriture calme et déliée, alors, on meurt! le lendemain même, on meurt...
Op de dag van thuiskomst van vakantie (ik had toen nog maar enkele bladzijden van de roman gelezen) had er in de NRC een recensie gestaan (da's pas thuiskomen: kilo's kranten doorploegen) van de net verschenen Nederlandse vertaling van deze roman; inderdaad: tien jaar na eerste publicatie toch nog een vertaling. Die heeft een idiote titel: Alles waar ik spijt van heb. Je hebt geen woordenboek nodig om te weten dat 'alles' heel wat anders is dan 'quelques-uns'! En waar is dat legendarische getal 'cent' gebleven? En kan iemand een equivalent voor die 'regrets' bedenken, zodat ik ze in het Nederlands ook kan tellen en als parels in mijn hand houden?

zondag, augustus 01, 2010

Sémiotique

Verkeerdbord in Frankrijk 
Lastige taal, dat verkeersFrans. Dit bordenpakket kan evenwel niets anders betekenen dan: einde van het verbod om rechtsaf te slaan, dat elders specifiek was ingesteld voor voertuigen van 12 ton en zwaarder en 100 meter en langer. Dat soort weggiganten zijn we tijdens de vakantie werkelijk nergens - tenzij in onze stoutste dromen - tegengekomen, al helemaal niet terwijl ze voortdurend linksaf sloegen. Om dol van te worden.

maandag, juli 12, 2010

't Mocht niet baten

De Volkskrant had op zaterdag 10 juli 2010 een fraaie foto van een opengesperde leeuwenmuil op de voorkant van de bijlage 'het Vervolg'. Die had - natuurlijk - te maken met de inhoud: dat eindeloze, maar inmiddels wel be-eindigde, gedoe over die voetbalfinale. Maar welke kop zet de Volkskrant met koeienletters boven die kop? 'Dat de leeuw moge winnen'. Eén optativus was kennelijk niet voldoende in één zin. Overdaad schaadt, zo weten we nu.

zaterdag, juni 19, 2010

Tellen in de letteren

Geleend van http://www.domburgatart.nl/sparkling_light/light.html: Jan Toorop, Portret van de schrijver Arthur van Schendel / Portrait of the Writer Arthur van Schendel, 1912, oil on cardboard, 76 x 64 cm, Stedelijk Museum, Amsterdam (on loan)Eerder en elders deed ik kond van mijn rekenkunstige benadering van drie van Van Schendels recentelijk weer op de markt gebrachte Hollandse romans. Leuke sport, als je 't volgens de regels probeert te spelen. In de boekenbijlage van De volkrant d.d. 19 juni 2010 gaat Martijn Wallage een beetje in overtreding in zijn bespreking van de editie. Hij is kennelijk wat teleurgesteld in die romans van Van Schendel. De waterman 'weet', zegt hij, 'te ontroeren', en hij geeft er deze motivatie bij (die enigszins mank gaat aan een cirkelredenering): 'het is een aangrijpend verhaal met een aantal mooie, bijbels aandoende passages.' Je moet dus wel een gevoelige bijbelsnaar hebben. De tweede roman in de editie, Een Hollands drama, vindt hij 'minder sterk': 'Een opvoedingsroman [...] waarin het woord "zonde" zeker honderd keer voorkomt.' Daarmee trok Wallage, hoewel hij geen enkele letter wijdt aan de kwaliteit noch aan de kwaliteiten van deze editie, toch nog mijn aandacht.

Ik geef toe dat ongeloof en de zin tot wederspraak mijn drijfveren waren om flux mijn pdf-versie van de proef van de editie open te trekken en 'zonde' in de zoekfunctie te tikken. En jawel, het woord 'zonde' (inclusief 'zonden' en samenstellingen) komt welgeteld achtentwintig maal voor in Een Hollands drama. Dat is bij lange na geen 'zeker honderd keer', dat is minder dan een derde van het veronderstelde aantal, nog geen 33%. Een forse miscalculatie.

Het is zaterdag en de vuvuzela's hier in de straat zwijgen nog, dus ik ben mild gestemd: ik zal die uitlating van Wallage maar opvatten als een hyperbool. Hij zal bedoeld hebben: 'best wel vaak', maar dat staat zo suf in de krant. 'Zeker honderd keer' klinkt krachtig en overtuigend. En in zekere zin, in overdrachtelijke zin heeft Wallage wel gelijk. In De waterman komt 'zonde' achttien keer voor. En in De grauwe vogels geen enkele keer, nul keer, helemaal nooit. Toch verrassend voor een roman waarin 'een koppige, goedhartige man [...] het opneemt tegen de bekrompen calvinistische gemeenschap'. Dat zou er zondig aan toe kunnen gaan, maar verder dan 'zonderling' komt het niet. In dat licht bezien is achtentwintig maal 'zonde' in Een Hollands drama zeker best wel veel.

Als Wallage van turven houdt en tijd over heeft en geïnteresseerd is in de beschrijvingstechnieken die Van Schendel toepast, moet hij eens nagaan hoe vaak in deze drie romans het woord 'zonder' voorkomt! Dat werpt, denk ik, een nieuw licht op wat hij, in navolging van de editeurs, Van Schendels 'techniek van het verzwijgen' noemt. Ik zou op voorhand al graag van narratief-descriptieve praeteritio willen spreken.

donderdag, juni 17, 2010

Plaatsennaam

Al een tijd, wat heet: jaren geleden is er tijdens binnenlandse reizen een afwijking in mijn blik geslopen. Bijvoorbeeld die keer dat ik in de buurt van Driel reed. Toen viel opeens het (voormalig)collegiale kwartje: Joost van Driel. Of, op weg naar het zuiden dat toen nog niet 'blauw' was. Het was misschien in de tijd dat ik de kinderen nog een lol deed met quasi-Napoleontische verkaringen van achternamen waarin beroepen verstopt zijn (Smulders) en inderdaad: woonplaatsen.

'Wie bent u?'
'Lia.'
'Ja, dat zal wel; maar welke dan?'
'Lia van Gemert.'

Studenten en oud-studenten doen ook mee. Andel? Loes van Andel!

Ik heb niets met voetbal (echt niet: ik kan het niet en ik vind dat mensen die naar voetbal kijken doorgaans volkomen irritant normafwijkend gedrag vertonen, dat vreemd genoeg door iedereen straffeloos wordt getolereerd), maar toen ik onlangs - alleen met vrouw en zonder kinderen (oh, wat zijn ze toch al Dewulfiaans groot gegroeid) - onthaastte in het wonderschone oosten van 't land, schoot die oude afwijking weer in mijn blik op een pontje over de IJssel:



In dat wondermooie kleinste stadje van Nederland schaamt men zich overigens niet voor enig zwierig taalgebruik, zeker niet de lokale antiquair:


En helemaal verrast was ik toen we door Baak wandelden: de vrouw van Gerrit Achterberg: Cathrien van Baak. Simpele genoegens zijn ook genoegens.

Op heel andere gronden is de bijnaamgeving gebaseerd van Huis De Voorst (achter Zutphen):


Het Versailles van de Achterhoek. Maar daar kwamen we niet voor. Dit was - het spreekt van zelf - ons doel, aan de rand van Almen:


Deze eermalige oversteek heeft geen naam gekregen, maar is niet minder vereeuwigd door Starings hoofdige boer.

zondag, mei 30, 2010

Eenvoudig berichtje in het avondblad

Beter, in de NRC van vrijdag 28 mei 2010, Boekenbijlage, afdeling 'Actueel', pagina 4, met de kop: 'Hoe je het beste een gedicht uit het hoofd kan leren'
Hadden de ouderwetse docenten dan toch gelijk? Staat uit-het-hoofd-leren gelijk met begrijpen? Het wetenschappelijke tijdschrift Memory heeft de man vorige maand onderzocht die Paradise Lost in zijn geheel kan reciteren: ruim 10.000 versregels. Deze prestatie is weliswaar uniek, maar niet bovenmenselijk, zo bleek. De onderzoekers kwamen tot de volgende conclusie: 'hij moet het gezicht zeer grondig hebben geanalyseerd, zowel wat structuur als wat betekenis betreft', want 'dit soort geheugen ontstaat niet spontaan, daar moet je voor werken.'
Het berichtje is geschreven door Toef Jaeger, die mijn collega's en mij kennelijk tot 'de ouderwetse docenten' rekent. Het zij zo. In onze cursus Literaire teksten, vertalen, analyseren en interpreteren werken we in het onderdeel van Moderne Nederlandse letterkunde met Tempel en kruis van Marsman. Iedere student krijgt een pars van die tekst toegewezen en moet daar allerlei traditionele analytische en interpretatieve handelingen mee verrichten en... moet dat pars ook uit het hoofd leren, onder andere omdat we denken dat je een gedicht pas echt in in je vingers krijgt, of onder de knie, als je het uit je hoofd kent (maar, Toef, dit doen we pas sinds het cursusjaar 2008-2009). Voor eigen gebruik hanteer ik die methode al een tijd: gedichten uit het hoofd leren, ook langere lappen, om nog beter te proeven hoe ze werkelijk in elkaar steken, om te doorgronden hoe de onderdelen aan elkaar geregen zijn, of de overgangen te begrijpen zijn; wanneer het memoriseren niet soepel verloopt, weet je dat je een lastige passage bij de lurven hebt.

Nu is heel Tempel en kruis wat veel voor de korte tijd die ons ter beschikking staat; vandaar die verdeling in partes. En heel mooi is dan dat ene college waarin we, de gehele groep, studenten en de docent, het gehele gedicht uit het hoofd voordragen, ieder zijn/haar pars en alle partes op orde. Bloedstollend eng voor de studenten, voor wie de ervaring geheel nieuw is, maar ook altijd een prachtige belevenis en een heel aparte manier om de gehele tekst tot je te nemen.

Het lijkt op, maar is toch heel anders dan, het tijdens een - smakelijk omlijste - marathonbijeenkomst gezamenlijk voordragen van Herman Gorters Mei, zoals dat op jongstleden Hemelvaartsdag voor het eerst gebeurde in Utrecht op Rood|Noot. Het was me een genoegen om daaraan mee te mogen werken.

De lezers hadden allemaal een pars ter grootte van een A-4 toegewezen gekregen, dat kennelijk ontleend was aan de Costerpagina, want de fouten in de voorleestekst zijn daar letterlijk terug te vinden. Gelukkig had ik mijn pars thuis even nagelezen in de Delta-editie (en een paar keer doorgenomen en me op tijd bedacht dat ik het niet meer op tijd uit mijn hoofd kon leren). Mijn pars had maar één fout: boek II, regel 1698: 'Zoo rook ze hem en kwijde en viel daar flauw.', moest (natuurlijk) zijn: 'Zoo rook ze hem en kwijnde en viel daar flauw.' Maar enigszins argwanend geworden, heb ik wat rondgebladerd. In een stukje van 244 versregels trof ik er maar liefst tien aan met een knetterende fout erin, plus een regel die tweemaal afgeschreven is; elf foute regels in een steekproef van 244:

Brak en de wijn brak ut als uit een bom
Steunden de hooden op de armen, meer
Opene vloerren, knielden ze wel neer.
Leegte en eenzaamheid -- wnt heen was hoop
En roen terwijl rondom de bodem dreunde
''Noemand meer weer hem,'' gromde Alvaders stem.
Hij zweeg en is verwenen en mijn bloed
Aanzwelling van een vas. Daar was heel lang
Of ze noet open ging en haren heer
Haar mond en sprak niet veel, maar keek zltijd

Dat betekent dat de hele Coster-Mei (die net als de echte Mei 4381 verzen omvat) zo'n 197 fouten kan bevatten. En veel van die fouten zijn funest voor de voordrager die zich niet grondig voorbereid heeft en/of niet goed thuis is in Gorters toch al eigenaardige, op klassieke leest geschoeide en overigens persoonlijk aangepaste poëtische taalhantering. Sommige voorlezers in Utrecht leken eigenlijk niet helemaal te weten wat ze lazen, afgaande op de nonsens die er af en toe tussen sloop.

Dat kon trouwens de pret niet drukken, en het was die voorlezers ook niet aan te rekenen; zij waren vogels van zeer diverse pluimage met een ding gemeenschappelijk: allemaal liefhebbers, letterlijk en figuurlijk amateurs, die op hun vrije Hemelvaartsdag met z'n allen lekker Gorter wilden lezen. Niet gek dat de meesten geen tekstkritische en editietechnische achtergrond hebben. En niet voor iedereen is laat-negentiende-eeuwse poëzie nog 'natuurlijke' taal. Is de tekst dan ook nog eens corrupt, dan wordt voordracht extra moeilijk, uit het hoofd leren onmogelijk en zinloos.