maandag, maart 14, 2022
Denkend aan Joost Kloek (1 augustus 1943 - 21 februari 2022)
Nederlands studeren?
Na het college is er de gelegenheid om vragen over de opleiding te stellen.
De bijeenkomst is online, vindt plaats in Teams. Aanmelden kan door een mail te sturen naar Els Stronks (e.stronks@uu.nl).
zondag, februari 06, 2022
Emberiza hortulana
Het leuke van de online-Dikke Van Dale is dat daar, iedere keer dat je erop inlogt, een – naar ik aanneem – willekeurig lemma (dus: een woord) verschijnt, plus het bijbehorende artikel (in de volksmond: de betekenis). Vandaag, een regenachtige zondag, de benedenburen testen de kwaliteit van hun hang- en sluitwerk weer, ben ook ik een tikkeltje hersenloos bezig, al was het maar om op hun niveau te komen, hoewel ze er bijna in slagen hun plafond en onze vloer met vloeken en zuchten te deconstrueren, en wat ik eigenlijk wilde doen, namelijk het testen van de werkzaamheid van de tweefactorauthenticatie omdat nu binnen drie maanden al mijn vierde i[***]ne ernstige kuren aan het vertonen is, dat dus, dat had ik al gedaan, maar nochtans met plezier en in stilte, toen dus fladderde ik even langs die digitale dictionaire en werd vergast op en verrast met: 'orthotheek'.
Dat het woord bestond, wist ik niet. Associaties met de ortolaan onderdrukte ik snel: dat beestje (er ontbreekt een 'h', anders zou z'n volière in het woordenboek hebben gestaan) is in Nederland als broedvogel praktisch uitgestorven, volgens diezelfde Van Dale, en leidt, volgens mij, slechts een kwijnend naleven in het dichtwerk van P.N. van Eyck:
Emberiza hortulana
Tuingors, vreemdeling, ortolaan,
Hoe ijl uw stem! Gij spáart uw zang,
Dat, later, thuis!, soms uren lang,
Een jubel van u uit kan gaan,
Waarvoor, van zulk geluk haast bang,
Zelfs hemelgeesten blijven staan.
(Uit: P.N. van Eyck, Herwaarts. Gedichten 1920-1945. 2e dr. Nijgh & Van Ditmar, 's-Gravenhage 1949, p. 138)
De betekenis van 'orthotheek' verraste me evenwel niet erg: 'verzameling informatiedragers betreffende orthopedagogiek'. Maar wat schetst mijn verbazing, toen ik, als een tweede Cees Buddingh' maar dan anders en veel later op de dag, ook het woord 'orthodontheek' opzocht (en, teleurgesteld, vervolgens 'orthodonttheek')? Niks.
Altijd erop vertrouwd dat ook orthodontisten niet zonder naslag aan het werk zouden tijgen... maar het woordenboek wijst er, indirect, op dat er geen verzameling bestaat van informatiedragers betreffende orthodontie.Wat een onverwacht inzicht een woordenboek bieden kan.
woensdag, januari 19, 2022
Hoe zijn die knorpels daar gekomen?
Aanm. Knorpelhuid (v. moock, v. dale ᴣ) is een vert. van nhd. knorpelhaut; een vorm knorpel wordt in het Ndl. niet aangetroffen.
'Knorpelhaut' is kraakbeenvlies; daar hebben we hier niets aan.
Ik zal mezelf in twee reusachtige oren veranderen die aan hun broze knorpels met elkaar zijn verbonden en als een roze vlinder op de donkerblauwe zitbank neerstrijken.
Ich werde mich in zwei riesengroße Ohren verwandeln, die an ihren schmalen Innenknorpeln miteinander verbunden sind und sich wie ein rosa Schmetterling auf der dunkelblauen Couch niederlassen.
Sie schnieft, ich höre ein leises knorpeliges Knacken, was davon herrühren kann, dass sie sich heftig die Nase mit dem Handrücken reibt.
Ik ben dol op door proza gestrooide alliteraties, zeker als begrijpelijk zijn. 'Knorpelig' betekent volgens Van Dale D-N: 'kraakbenig' – dat had hier best gepast, in een omgeving die niet bepaald gezond is voor het neustussenschot. In de vertaling is ook de alliteratie verdwenen, maar dat verlies wordt gecompenseerd door enkele nieuwe assonanties:
Ze maakt een snuivend geluid, ik hoor iets zacht knakken, het komt doordat ze met haar handrug stevig over haar neus wrijft.
Waar zijn nu die knorpels gebleven?
Het ding is nog verpakt in doorzichtig folie en ze houdt het in haar armen als een langs de rivier gevonden welp die haar moeder vast en zeker meteen het weer op straat zal zetten.
Het lastige is wel dat hier weer gefocaliseerd wordt door die doorgesnoven jurist en dat het hoofdstuk keihard in medias res begint, waardoor het even doorlezen vergt voor de situatie wat helderder wordt. Maar zoals het hier is opgeschreven, gaat er echt meer fout dan nodig is. De bron zegt:
Das Ding ist noch in durchsichtige Folie gehüllt, und sie trägt es im Arm wie einen am Fluss gefundenen Welpen, den die Mutter mit Sicherheit im nächsten Moment aus dem Haus werfen wird.
Nog wat bonter is het eerder, op pagina 167:
Ik haal uit, gooi de dode muis in de zakdoek in de struiken achter de kastanje en wrijf mijn handen af aan de boxerschort terwijl ik met mijn andere hand het gat weer dichtmaakt.
En ja, ik heb dit citaat driewerf gecontroleerd: er staat boxerschort en terwijl ik [...] dichtmaakt. Op p. 279 staat wel 'boxershorts'. Maar daarnaast lijkt het me onmogelijk om je handen af te wrijven terwijl je met je andere hand een gat dichtmaakt. Dan moet je dus drie handen hebben. En waarom zou je twee handen afvegen aan je onderbroek als je die dode muis maar met een hand hebt opgepakt en weggegooid?
Zeh noteert dat zo dat het anatomisch bezien meer voor de hand ligt:
Ich hole aus, schludere die tote Maus im Taschentuch in das Gebüsch hinter der kastanie und reibe mir die Hand an den Boxershorts ab, wärend ich mit den anderen das Loch wieder zuschaufele.
Eerder in deze scène staat beschreven dat Max de dode muis in zijn linkerhand houdt en met zijn rechterhand een grafje voor het diertje delft. Van zijn goede bedoeling komt weer eens weinig terecht.
Post post scriptum de dato 1 februari 2022
Op p. 247 staat 'buur' in plaats van 'buurt'.
252: - 'een portiek waarvan ik weet dat die betegeld is en koel'.
- 'voorgebracht'
260: 'in mijn broekzak kneep ik in het papieren zakdoekje met de kleine bloedvlekjes erop. Het werd vochtig in mijn zweethanden en begon uiteen te vallen.' De vermenging van enkel- en meervoud staat niet in de bron: 'In der Hosentasche presste ich das Papiertaschentuch mit den kleinen Blutflecken darauf. Es wurde feucht vom Schweiß meiner Handfläche und begann zu bröseln.'
278: 'zoals je je normaal 's avonds moe voelt en je er al op verheugd te gaan slapen'.
282: 'nou goed dan, zei hij toen, dan gaan ik nu naar huis en sluit me op.' Twijfelgeval, omdat het personagetekst is... inderdaad: 'dann sagte er, guat, i geh jezt haam', wat aangeeft dat het dialect in de brontekst veel sterker is dan in de vertaling. En dat geldt voor heel de platte bijdrage van Erwin, de wat wereldvreemde, betrekkelijk perfide, Weense kunstenaar, aan een uitgebreide dialoog met Max.
284: - 'de enorme klap komt aan- en afzwellend van de wanden terug.' In de bron staat: 'der dröhnende Schlag kommt an- und abschwellend von den Wänden zurück.' Maar 'abschwellen' staat gewoon in het Duitse woordenboek, 'afzwellen' niet in de Dikke Van Dale.
- 'Het plastic mengsel roer ik zelf' luidt in de bron: 'Den Plastikgatsch rühr i mir selber.' Weer gaat de platte spreektaal in de vertaling naar de gallemiezen. 'Gatsch' is volgens Wikipedia 'eine österreichische, mundartliche Bezeichnung für Schlamm'. Maar ik struikelde over de spatie.
288: Over een vrieskist: 'en verder past er een paar ton coke in.' In de bron staat: 'und ansonsten passen ein paar Zentner Stoff rein.' Volgens Duden is een 'Zentner' een maateenheid van vijftig, of – in het Oostenrijks (daar heb je 't weer) en Zwitsers – honderd kilo; een ton staat voor duizend kilo...
293: 'in verband met de auto, waaraan ik iedere dag mijn scheenbeen aan de bumper stoot'. Oorspronkelijk staat het er wat beter: 'wegen des Autos, an dessen Stoßstange ich mir täglich die Schienbeine stoße'.
294: - 'Voor het geval ze inderdaad weg is, heb ik een probleem.' De brontekst is: 'Falls sie tatsächlich weg ist, habe ich ein Problem.' 'Falls' zou hier toch beter vertaald kunnen worden met 'indien' of 'als' of 'in het geval dat', dacht ik.
- 'Zijn sikje schiet me te binnen, dat is er ook niet meer.' Dat is onbedoeld en ongewenst komisch. Ook in de bron ontbreekt de komma na het sikje, die de uiting minder problematisch zou maken: 'Sein Ziegenbart[,] fällt mir ein, der is auch nicht mehr da.'
- 'voordat Clara weer opduikt van ergens vandaan'?
301: 'uit alle hoeken staart Jörg Haiders visage me aan'. Me dunkt dat het Duitse 'Visage' beter omgezet kan worden met 'smoel', 'tronie' of 'facie', zoals Van Dale D-N suggereert.
319: 'in naamloze verbazing' zou, denk ik, 'in nameloze (onnoemelijke, onuitsprekelijke) verbazing' moeten zijn ('in namenlosem Erstaunen').
335: 'ik geloof dat de klap ons allebei in gelijke mate bedwelmd'.
349: 'En als dat niet gebeurd? vroeg ik.'
351: 'Als de snijwondjes zijn opgedroogd was ik Clara's hoofd nog een keer, bet het met een punt van mijn shirt droog'. Droogbetten? Antoniem: natdeppen?
370: 'Zo kunnen we weer overnieuw beginnen, zegt Ross ten slotte.' Dat is in het Duits van Zeh bepaald minder pleonastisch: 'So kommen wir wieder zum Anfang zurück, sagt Ross schließlich.' Dan zijn we weer terug bij af.
Maar als dan op bladzijde 279 iemands gezicht, dat er niet al te florissant uitziet, wordt omschreven als 'versleten en slordig opgehangen tussen haar oren' zeur je niet meer over die reeks uitglijdertjes, toch? Oftewel: 'verbraucht und schlecht aufgehängt zwischen den Ohren.' Prachtig.
Of een formulering die de lezer wederom drukt op de structureel benepen focalisatie van de rechtsgeleerde sneeuwsnuiver: 'Hem zie ik pas als ik me langs de Ascona heb gewurmd'. Aanvankelijk weet je helemaal niet wie met 'hem' wordt bedoeld. 'Ihn sehe ich erst, als ich mich schon am Ascona vorbeigedrängt habe.'
maandag, januari 17, 2022
Lelijk en mooi
Ik ken mensen die de volgende zinsconstructie lelijk vinden:
Lang en zenuwachtig, met een vooruitstekende adamsappel, is deze predikant in opleiding het afgelopen jaar vrijwel totaal van zijn geloof gevallen, zonder dat iemand ervan weet.
Ik behoor zelf ook tot die mensen. De vooropgeplaatste beknopte, elliptische bijzin lijkt mijns inziens op een bijwoordelijke bepaling, maar heeft niets van doen met de (kern van de) mededeling die erop volgt in de hoofdzin, en al helemaal niet met het gezegde, dat er direct op volgt (is [...] gevallen). Ze zegt alleen maar iets over het onderwerp, 'deze predikant in opleiding', en zou dus beter als een gewone bijvoeglijke bepaling daarbij in de buurt kunnen staan. Vind ik. Ik denk dat het een oorspronkelijk Engelse constructie is.
Toevallig komt dit citaat uit de Nederlandse vertaling van The Promise van Damon Galgut. De oorspronkelijke versie luidt:
Tall and nervous, with a pronounced Adam's apple, this trainee minister, over the past year, unbeknownst to anybody, has almost completely lost his faith.
Dan vind ik die constructie nog steeds niet mooi, maar de vertaling ervan lijkt me desniettegenstaande wel in orde. Jammer vind ik dat de ouderwets aandoende, prachtige frase 'unbeknownst to anybody' niet in z'n archaïsche staat is overgezet; de verplaatsing lijkt me een terechte knieval aan de structuur van de Nederlandse zin: wij kunnen niet eindeloos bepalingen achter elkaar blijven plakken. Maar iets als de volgende optie lijkt me wel verdedigbaar:
Deze predikant in opleiding, lang en zenuwachtig, met een vooruitstekende adamsappel, is het afgelopen jaar vrijwel totaal van zijn geloof gevallen, zonder dat iemand ervan weet.
Veel zwaarder kan het niet, denk ik. De volgende zin lijkt me over de top:
Deze predikant in opleiding, lang en zenuwachtig, met een vooruitstekende adamsappel, is, terwijl niemand het opmerkte, het afgelopen jaar vrijwel totaal van zijn geloof gevallen.
Wat hoe dan ook in de vertalingen ontbreekt, is die Engelse eindsprint, die wonderlijke slotwoordgroep: 'has almost completely lost his faith', waarin de drie laatste lettergrepen tevens een soort uitroeptekens zijn. Ik wist trouwens niet dat je ook onvolledig van je geloof kon vallen. Die gedachte en formulering: de kracht van Galgut.
Overigens is het bovenstaande niet bedoeld als kritiek op de vertaler van de roman, Rob van der Veer. Ik heb zijn vertaling tweemaal achtereen met ademloze aandacht en veel genoegen gelezen. Op een plaats noteerde ik zelfs in de marge (e-books hebben een heerlijke notitiemarge): 'Benieuwd of het origineel de vertaling evenaart.' Het gaat om deze passage:
Maar hier is daar niemand getuige van, geen levende ziel, behalve de hond die op de oprit ligt en lui aan zijn testikels likt.
Eerst 'niemand', wat al heel duidelijk is, en dat dan uitwerken en versterken met: 'geen levende ziel', en daar weer na toch een tikkie terugschalen (bijna zoals in 'vrijwel totaal') met 'behalve de hond' (niet iemand, maar best wel een levende ziel), gevolgd door het klapstuk, de nabepaling vol lichte assonantie en lekkere alliteratie, plus nog eens een Latijnse referentie aan 'getuige':
De brontekst doet er haast niet voor onder, toept er toch overheen met een dactylische drievoet:
But nobody is here to witness it, nothing stirs, except for the dog in the driveway, leisurely licking his testicles.
dinsdag, december 21, 2021
Leestip
Nachdem Mrs. Buccleton gegangen war, stand der Professor noch eine Weile am Fenster und sah in den Hof hinunter. Es war warm geworden in den letzten Tagen, der Schnee war längst geschmolzen, und bald würden die Kastanien austreiben. Gestern hatte sich Schuschnigg mit einer großen Rede an sein Volk gewandt. In seiner Heimatstadt Innsbruck präsentierte er sich im zünftigen Tiroler Anzug und fragte seine Zuhörer, ob sie sich in der für den 13. März angekündigten Volksabstimmung für ein »freies, deutsches, unabhängiges, soziales, christliches und vereintes Österreich« entscheiden wollten. Und während über zwanzigtausend Anhänger ihre Zustimmung in die klare Tiroler Bergluft hinausbrüllten, saß Adolf Hitler wahrscheinlich gerade irgendwo in Berlin vor dem Radio und leckte sich die Lippen. Österreich lag vor ihm wie ein dampfendes Schnitzel auf dem Teller.
Uit: Robert Seethaler – Der Trafikant. Roman. eBook, Kein & Aber, Zürich-Berlin, 2012, 1. Teil, S. 218-219 von 469.
Geschikt voor wie zoals ik maar twee jaar Duits had op school; zowel literair als cultuur-historisch zeer interessant. De professor in dit fragment is Freud, die in de buurt woonde van het rookwaar- en krantenstalletje waar de jonge hoofdpersoon in de leer is.
Terzijde: ik dacht dat Hitler vegetarisch at.
zaterdag, oktober 30, 2021
Fré Cohen
Toen deze eeuw nog in de luiers lag, probeerden we bij de opleiding Nederlands van de Universiteit Utrecht eerstejaars-studenten het edele handwerk van de literaire analyse bij te brengen in de cursus Literaire Teksten aan de hand van H. Marsmans Tempel en kruis (1940), een episch gedicht waarmee je tekstkenmerken kan demonstreren van zowel epiek als lyriek. Hoogtepunt van de cursus was de laatste bijeenkomst waarin alle LI onderdelen van de tekst (romeinse cijfers behoorden tot de struikelblokken in de meta-literaire communicatie in de collegezaal) uit het hoofd werd voorgedragen door de studenten, waarbij de docent de opmaat gaf (als ze over honderd jaar mijn resten opgraven en mijn kop opensnijden, zullen ze er nog hele stukken van het openingsgedicht in aantreffen); iedere student was gedurende heel de cursus verantwoordelijk voor een onderdeel van het geheel, ook bij de recitatie.
Een van mijn collega-docenten was toen de huidige hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde in Nijmegen, Jos Joosten. We smeedden een plan om toch maar eens een moderne, geannoteerde leeseditie te maken van deze zowel literair- als cultuur-historisch bijzonder interessante tekst. We hebben dat ijzer niet gesmeed, ook niet toen het nog roodgloeiend was, maar wel hebben we een basistekst geselecteerd en tekstkritisch bewerkt. Daartoe, en om de druk- en publicatiegeschiedenis op te kunnen stellen, hebben we zo veel mogelijk verschillende uitgaven van het boekje verzameld en gecollationeerd; daarbij bleken er interessante verschillen in tekst en opmaak te bestaan tussen onder meer de hardback- en de paperback-uitgave van alleen al de eerste druk.
Constante factor van die eerste druk was en is het uiterst sobere maar daardoor des meer indruk wekkende (stof)omslag. Het lijkt de perfecte illustratie van bijvoorbeeld het begin van de tweede strofe van het eerste gedicht (p. 8 van de eerste druk in paperback):
De kamer waar hij werkt is als een cel.
geen schilderij, geen bloemen, geen portret.
niets dat verteedring of herinnering wekt
aan dood of liefde; de wanden naakt en licht,
de ruimte leeg, en in de ramen stijgt
het jong en blauw profiel der dageraad
waarin de sporen van den nacht vergaan.
een ijl vertrek, een absoluut wit nu,
door niets gevlekt dan door 't verweerd papier,
het palimpsest van het gemeene leven,
dat hij ontraadslen moet en lezen als gedicht;
een stilte, vol van de insectenplaag
van zijn gedachten –
De ontwerpster van dat omslag kende ik nog niet; door de aanzet tot editie al snel wel; daarna weinig meer over gelezen. Maar laat me vandaag de Volkskrant openslaan waarin Erik van den Berg (Boeken en wetenschap, p. 80) stelt dat het tijd is voor een blijvend eerbetoon aan Fré Cohen. Bij zijn artikel staan foto's van haar mooie werk. Deze zou ik er graag nog bij zien:
woensdag, oktober 13, 2021
Realismus
De nieuwe Zeh, Über Menschen, is weer zo'n roman die leest als een tierelier en ook thematisch zeer interessant is. Deze keer een uitgebreid verhaal over de practicalia van het hedendaagse heden, meer in het bijzonder ten tijde van de lock down en alles wat die met zich meesleept – helemaal leuk omdat de vorige roman die ik van haar las, een dystopische toekomstroman was uit 2009 over een totalitaire gezondheidsstaat.
Qua roman, formeel, is er weinig bijzonders aan deze vertelling, wat wel past bij het realistische karakter ervan. Het bijzondere zit (weer) in de sociale en morele conflicten waarin het hoofdpersonage verstrikt raakt (maar ik heb, nu ik dit tik, pas 56% gelezen).
De roman is zo realistisch dat ze kan doen alsof ze zelf geen fictie is, maar juist expliciet aan fictie refereert om de werkelijkheid beter te schetsen:
Die Verbindung ist unterbrochen. Das ist wohl ein moment, von dem es in Büchern heißt, daß »plötzlich alles sehr schnell« gegangen sei.
woensdag, september 22, 2021
Zegswijze
Deze dagen ben ik bezig met het herlezen van de roman De eeuwige jachtvelden (1995) van Nanne Tepper (1962-2012), de heruitgave ervan in één band met De vaders van de gedachte (1998) en De avonturen van Hillebillie Veen (2002) door uitgeverij Pluim in 2018.
Een mooi boekwerk is het. En het is een opmerkelijk samengestelde roman (die werd bekroond met de Anton Wachter-prijs 1996), verdeeld in vier 'boeken' met verschillende vertelsituaties en focalisaties, elk met als motto de tempo-aanduiding van een deel van (tweede versie van) Gustaf Mahlers eerste symfonie. Opmerkelijk van inhoud ook door de uitgebreide beschrijving van de verhouding van een broer en een zusje, alsmede door het gebruik van allerlei middelen door onder anderen die twee. Woest-romantisch, en (dus) moreel volkomen tegen de vleug van het alledaagse.
Onberispelijk Nederlands schreef die Tepper. Daar kunnen niet velen aan tippen. Maar op pagina 188 laat zijn personage Victor, die verder qua schrijfvaardigheid niet voor zijn auctor intellectualis onderdoet, een steekje vallen in een brief van juli 1990 uit Parijs aan zijn moeder. Daar schrijft hij, en ik weet natuurlijk niet of de auteur dit opzettelijk deed (maar ik denk van niet, want verder struikelt Victor voor zover ik kan zien nergens):
Men moet – dat weet ik beter dan geen ander – op de vlucht slaan niet verwarren met een moedig optreden.
Juist in de opvallende, ingelaste zin, die eigenlijk een cliché-wending lijkt te moeten bevatten, gaat Victor onderuit. Ik las er eerst overheen. Maar daar had, denk ik, moeten staan: 'dat weet ik als geen ander'. Nu staat er het tegenovergestelde.
dinsdag, september 14, 2021
Interruptus
In de tijd dat in nog in de jury zitting had van de proza-debuutprijs (die in de loop veler jaren onder verschillende namen heeft bestaan en door even zo veel instanties werd gesponsord) had ik soms het lef om een boek, waarvan ik al bij aanvang van het lezen de indruk kreeg dat het niks was noch iets zou kunnen worden als ik verder las, in mijn notities voor het juryberaad te stigmatiseren met L.I., de afkorting van mijn opzettelijke onbeholpen Latijnse aanduiding Lecturus Interruptus, oftewel: afgebroken lectuur (en: de lezer zegt saluut), namelijk: voordat ik het boek geheel uit had gelezen, maar altijd pas nadat ik minimaal 10% van het totaal aantal bladzijden tot me had genomen. De overige juryleden, hoewel dankbaar voor mijn eerlijkheid, pasten deze methode om ergernis te sparen voor belangrijker zaken en om navenant meer tijd over te houden voor leukere bezigheden, niet toe omdat ze haar niet kies vonden jegens de door de auteur geleverde inspanning, ook al vonden ze haar wel begrijpelijk en misschien zelfs navolgenswaard.
Inmiddels, nu de debuutprijs niet meer bestaat, probeer ik me alsnog vrijwillig te plooien naar de mores van die oud-collega-juryleden (ik ben hardleers, maar met mate), ook al heb ik weinig fiducie in de juistheid van de veronderstelling dat een boek, dat aan het begin van de leesgang zo goed als waardeloos lijkt, in het laatste kwart bijvoorbeeld opeens briljant of minstens goed of misschien maar passabel zou kunnen blijken te zijn. Vandaag echter heb ik, nadat ik volgens mijn e-lezer 38% van het boek had gelezen, toch weer een lectuur afgebroken, meer in het bijzonder toen ik me uitermate te ergeren begon aan enkele stilistische eigenaardigheden in combinatie met mijn goed onderhouden weerzin (daar zorgen de nieuwbakken auteurs wel voor) tegen ik-vertellers, zeker als die evident autobiografisch van aard zijn en gelieerd zijn aan een auteur van jeugdige leeftijd, wie het interessant heeft geleken maar weer eens iets te vertellen over hoe het is om, weerspannig en wel, volwassen te worden. Het lezend oog stokte definitief onder invloed van het onbeholpen debutantentaalgebruik, in combinatie met een door een overweldigende hoeveelheid schrijversnavelpluis aan het oog onttrokken zicht op interessante gebeurtenissen en dito personages, om het anders te zeggen.
Zo'n coming-of-age-roman, zo'n adolescentenvertelling waar ik niet doorheen kom, heeft steevast geen interessante verhaallijn, laat staan een iets complexere structuur met meerdere verhaallijnen, en struikelt slechts voort van de ene lullige anekdote naar het andere losse voorvalletje met als kantelpunten 'oh ja, ook dit nog' en 'en toen'. Omdat het perspectief van de jeugdige held of heldin benepen is en het kleine privé-leed toch imponerend moet lijken, ondergaat de vertelling, niet gehinderd door verstandig ingrijpen door een redacteur, een linguïstische botox-behandeling met als hoofdingrediënten een rijke verzameling aan zogeheten intensiveerders. Iets wat niet leuk is, wordt dan dus de hel genoemd, huilen gaat door het leven als janken. En als er geen (vergrotende) synoniemen voorhanden zijn, plakt de zich meestal stierlijk vervelende, als hoofdfiguur van de roman nauwelijks verhulde auteur 69 keer verschrikkelijk voor een bijvoeglijke of bijwoordelijke bepaling, en 298 maal heel, waarvan 38 keer in de vorm van de collatie echt heel. De lezer mocht eens twijfelen. Echt lijkt sowieso het goedkoopste bestanddeel van de literaire pimp-actie want het is niet minder dan 313 maal aan te treffen in het boek dat ik vandaag niet uit las. Nooit heeft er iemand iets alleen gedaan, maar het zijn ze allemaal (69 maal) die het doen en iedereen (78). En wat ze doen, zijn dan vaak dingen (71).
Vaste begeleider van dit ongezond gezwollen proza is een patina van spreektalige stoplappen als trouwens (13), precies (43), weet je wel (46), natuurlijk (67), de of het of een soort (69), dus (174), gewoon (227), wel (245), om nog maar te zwijgen van het ook in alle overdadigheid uit de kroeg bekende ik (500).*
*Naam van de auteur en titel van de betreffende roman zijn bekend bij de redactie.
Vergelijking/Relativering: het net niet geheel betekenisloze, weliswaar functionele maar stilistisch volkomen smaak- en kleurloze woordje is komt er ook 500 maal in voor. Voor Contouren van Rachel Cusk zijn de respectieve frequenties 500 en 211, voor Woeste hoogten van Emily Brontë 500 en 500, voor Het tegenovergestelde van een mens van Lieke Marsman 500 en 422, voor De geruchten van Hugo Claus 500 en 500, Concept M van Aafke Romeijn 464 en 500, Wij zijn licht van Gerda Blees 500 en 500, Dublinezen van James Joyce 500 en 417, Vertel het iemand van Rachida Lamrabet 500 en 262. Kortom: ik geloof dat mijn e-lezer niet verder tellen kan dan 500... of ik ben hier gestuit op een mij onbekende subliminale literaire limiet.
zaterdag, september 04, 2021
Wonderlijke kerel
dinsdag, juli 20, 2021
Taal en gebruik
(1)
De verwarring slaat dan ook flink toe wanneer ze ten huwelijk wordt gevraagd door haar vriendje (Mark Webber) en ze haar vader (Jeff Garlin) ziet vreemdgaan. Ze slaat op de vlucht en ontmoet op die manier tiener Annika (Chloë Grace Moretz) en dier vader (Sam Rockwell), waarmee ze een relatie krijgt […].
Mijn lezend oog bleef haken aan dat dier hier, in deze context. Is het nou goed (en alleen maar heel erg ongebruikelijk, dan wel: in onbruik geraakt), vroeg ik me af, of is het eigenlijk fout (want ik denk, in de verkennende fase, in keiharde binaire oordelen qua taalgebruik)? Of, middenweg, is het mijn taal-hetero-seksisme dat hier opspeelt? Indien ik de tekst qua sekse en/of gender en grammaticaal geslacht aanpas, om de als laatste genoemde optie het eerst te onderzoeken, ontstaat er dit:
(2)
De verwarring slaat dan ook flink toe wanneer ze ten huwelijk wordt gevraagd door haar vriendje (Mark Webber) en ze haar vader (Jeff Garlin) ziet vreemdgaan. Ze slaat op de vlucht en ontmoet op die manier tiener John (Steve McQueen) en diens vader (Sam Rockwell), met wie ze een relatie krijgt […].*
Geen wolkje aan de lucht, geen vuiltje in mijn oog. En wat als we daar dit van maken:
(3)
De verwarring slaat dan ook flink toe wanneer ze ten huwelijk wordt gevraagd door haar vriendje (Mark Webber) en ze haar vader (Jeff Garlin) ziet vreemdgaan. Ze slaat op de vlucht en ontmoet op die manier tiener John (Steve McQueen) en zijn vader (Sam Rockwell), met wie ze een relatie krijgt […].
Kan toch ook prima?! Maar dan moet ook de volgende variant van het origineel goed zijn, met opnieuw Annika:
(4)
De verwarring slaat dan ook flink toe wanneer ze ten huwelijk wordt gevraagd door haar vriendje (Mark Webber) en ze haar vader (Jeff Garlin) ziet vreemdgaan. Ze slaat op de vlucht en ontmoet op die manier tiener Annika (Chloë Grace Moretz) en haar vader (Sam Rockwell), met wie ze een relatie krijgt […].
En zo wordt duidelijk dat onze tv-journalist – ironisch genoeg, gelet op de verwikkelingen in de film – waarschijnlijk heeft geprobeerd met dier een verwarring te voorkomen van twee tiener-vaders. Beetje overbodig, want die is door de verschillende acteursnamen eigenlijk al uitgesloten.
Rest de originele vraag: ‘moet’ het hier dier zijn of haar?
*Met waarmee verwijs je mijns inziens naar zaken, met met wie naar mensen, kom nou toch. In beide vormen blijft evenwel de optie dat Megan een relatie met twee mensen aangaat, terwijl ik denk, zonder de film gezien te hebben, dat ze dat alleen met de pa van Annika doet (haar vriendje daar gelaten).
zondag, juli 11, 2021
Verkast
p. 199 bovenaan voor de nette beschrijving van een koe die in de stront stapt!
Dat maakt me ongeveer veertig jaar later toch nog even nieuwsgierig:
De landman slaapt; het rundvee staat te lodderoogen in de schaduw van wilg en hagedoorn; de schapen op de hei hebben den zoom van het dennenbosch gezocht waar hun herder met opgetrokken kniëen [sic] achterover op den grond ligt, en Philax nevens hem met de amechtige tong uit den ruigen bek.
Alles zwijgt. Geen vogel doet zijn lied schallen of tsjilpt op bescheiden toon; geen blaadje is er dat ritselt. Slechts een enkele bij, die zich op rappe wiek naar gindsche kamperfoelie spoedt, snort suizend langs ’t oor; of ook een zwerm bruinvliegen doet zich hooren, wanneer een loome hoef of klauw den verschgevallen buit in ’t weiland beroeren komt, en ’t klein en azend gedierte daardoor al gonzend uiteenstuift.
Geen woord gelogen in die aantekening. Prachtig, dat realisme van de oude stempel. Lang van draad, maar fraai gesponnen.
Het boek is, blijkens de versozijde van de Franse titel, “Gedrukt bij Gebr. Giunta d’Albani te ’s-Gravenhage”. De zetter aldaar, die zich ook vergreep aan de knieën van de herder, had zich eerder al vergist op de zethaak: het paginanummer tegenover bladzijde 109 is als “801” op het papier terechtgekomen.
Het is niet om die twee zetfeilen in het bestek van nog geen honderd pagina’s dat het boek het spreekwoordelijke veld moet ruimen, maar omdat ik weet dat ik er toch niet meer aan toe kom het te lezen, terwijl de nieuwe kast al bijna uit zijn voegen barst en ik bij het inruimen nog nauwelijks voorbij de F van Ferron ben.
dinsdag, juni 15, 2021
Keurig in de contramine
zaterdag, mei 08, 2021
Slijtagetaal
In de kranten heette het dat ze "door het stof" was gegaan. Vroeger zei je gewoon dat iemand sorry had gezegd of z'n excuses had aangeboden, wanneer hij ergens spijt van betuigde, maar we leven in opgewonden tijden, dus las ik hier en daar zelfs dat Broekers-Knol "diep" door het stof was gegaan. Kennelijk niet gewoon een beetje halfgebukt schuifelend, maar tijgerend ofzo.
vrijdag, april 30, 2021
Zowel daarnaast als ook en nog -- Taalslijtage
Daarnaast is er ook nog een tweede beoordelaar.
En ik denk dat je daar ziet dat taal in het gebruik slijt en dat taalgebruikers in arren moede dan de boel gaan proberen op te lappen, bijvoorbeeld door er iets aan toe te voegen wat er eigenlijk al staat. Een typisch geval van redundantificatie.
De context van de hier geciteerde zin is de mededeling dat een student bij het maken van het eindwerkstuk een docent als begeleider heeft, die tevens de eerste beoordelaar is. Vervolgens moet er kennelijk ook iets worden gezegd over de (door 'eerste' al geïmpliceerde) tweede beoordelaar. Volstaan had kunnen worden met:
Daarnaast is er een tweede beoordelaar.
of
Er is ook een tweede beoordelaar.
of
Er is nog een beoordelaar.
Een eerste redundantificatiefase had wellicht al geleid tot:
Daarnaast is er nog een beoordelaar.
of
Daarnaast is er ook een tweede beoordelaar.
dan wel
Er is nog een tweede beoordelaar.
(die laatste optie suggereert evenwel dat er zelfs twee tweede beoordelaars zouden kunnen zijn; zo'n krommunicatie staat zelfs een versleten taal niet toe, hoop ik).
Maar toen de als verrijking bedoelde vormen van de eerste fase van redundantificatie op hun beurt ook versleten raakten, volgde waarschijnlijk een tweede redundantieficatiefase, leidend tot de eerste hier geciteerde formulering, als een Franse gans volgepropt met zowel Daarnaast als ook en nog.
Het is een kwestie van smaak, maar ik houd niet van pâté de foie gras en wacht met smart op een deredundantieficatieproces.
vrijdag, april 23, 2021
De zin (2)
Na jaren had ik mezelf uit het leven geknipt dat ik in de stad had geleid, zoals je een figuurtje uit een landschaps- of groepsfoto knipt. Onthutst over de schade die ik aan de foto had aangericht en nog niet goed wetend waar het uitgeknipte stukje terecht moest komen, leidde ik een provisorisch bestaan. Ik deed dat op een plek waar ik niemand kende, waar de straatnamen, beelden, geuren en gezichten vreemd waren, in een goedkoop in elkaar geflanste woning, waar ik mijn leven een poosje wilde parkeren.
Mooi beeld, dat jezelf (als het ware) uit een foto knippen. Vooral omdat Kinsky nauwkeurig aangeeft uit wat voor soort foto; een landschaps- of groepsfoto, wat wil zeggen: een foto met een nadrukkelijke positie ook voor omgeving, waarmee aangeduid is dat de mens niet zomaar een solitair wezen is. Mooi is ook dat meteen erna sde schade ter sprake komt die aan de foto wordt toegebracht. Maar van een ineenvloeien van verbeelding en werkelijkheid, zoals bij Smith, is geen sprake. Dat hoeft ook niet.
Maar de herhaling ‘geknipt’ - ‘knipt’ stoorde me, dus zocht ik de oorspronkelijke tekst op voor een wellicht betere vergelijking:
Ich hatte mich nach Jahren aus dem Leben, das ich in der Stadt geführt hatte, herausgeschnitten wie einen Schnipsel aus einem Landschafts- oder Gruppenfoto. Betreten über den angerichteten Schaden an dem Bild, das ich hinterlassen hatte, und ungewiss, wohin es diesen herausgeschnittenen Teil verschlagen sollte, lebte ich provisorisch. An einem Ort, wo ich niemanden in der Nachbarschaft kannte, wo mir die Straßennamen, die Ausblicke, die Gerüche und Gesichter unbekannt waren, in einer billig zurechtgezimmerten Wohnung, in der ich mein Leben vorübergehend abstellen wollte.
Ich hatte mich aus dem Leben herausgeschnitten,
Maar mijn kennis van het Duits staat me in de weg bij het voortborduren... Waar zet ik ‘nach Jahren’ en hoe knoop ik ‘das ich in der Stadt geführt hatte’ eraan vast, en vervolgens ‘wie einen Schnipsel aus einem Landschafts- oder Gruppenfoto’?
En dan de tweede zin: zie eens waar de kern toch staat... Maar ja, je moet er ook niet aan denken dat die zin zo begon: ‘Ich lebte provisorisch [...]’. Er is geen ‘amble’ van te breien.
De derde zin is in de vertaling met een zielloos noodverband (‘Ik deed dat’) tot een volledige zin verschlimmbessert. Het middel is niet beter dan de kwaal. Kinsky had hem eenvoudig kunnen koppelen aan de voorgaande zin. In plaats van: ‘provisorisch. Am’, had er kunnen staan: ‘provisorisch am’. Dan was de kern van dat geheel (‘lebte ich provisorisch’) mooi gebed geweest in twee oeverloze bepalingen. Seneca zou zich weliswaar in zijn graf omkeren, maar Ciceros ‘Latinate style’ heeft ook bekoorlijke aspecten, zeker waar het om inbedding gaat.
De vraag is nu of hier een verschil in stijl aan het licht komt tussen twee schrijfsters, of tussen twee talen.
De zin (1)
Die andere, modernere Engelse zinsstructuur, ook wel de Senecaanse kuiergang geheten, lijkt me kenmerkend voor de stijl van Smith, zowel wat betreft de bouw van individuele zinnen als die van grotere eenheden. Ik laat eerst Moran even aan het woord, om uit te leggen wat dat syntactisch wandelen inhoudt, en wat eraan voorafging (p. 137-138):
[...] the 'Senecan amble'. The Earl of Shaftesbury invented this term for the looser sentence shapes arising in the seventeenth century as English tried to free itself from a Latinate style. The Latinate ideal was the periodic sentence, the one Cicero used to keep an audience on edge, stacking clause on clause in pursuit of the main verb, which arrived like a punchline just before the full stop.
Milton imposed this Latin syntax even on his poetry. Paradise Lost turns the simple, additive style of Genesis into long sentences laden with clauses nesting inside each other like Russian dolls. The poem's first verb, sing, appears only in line six, its first full stop ten lines later. Milton's prose sentences, pit-propped with subordinating whereins and whereofs, often run to over a hundred words. When reading him you just have to dive in, hold your breathe and, with each full stop, come up for air.
The Senecan amble, by contrast, took after Seneca's conversational, self-questing prose. It was a style suited to the early modern world – a fluid, curiosity driven place in which many things once thought to be shaped by God or fate were now seen to be shaped by human whim. The Senecan amble tries to honour the liquid reality of this world and the ad hoc way we give it a shape in our heads. It begins the sentence by stating the main idea and then embroiders and particularizes it, sometimes changing its mind midway and starting anew.
In plaats van kuieren, kan je wat Smith doet misschien breien of borduren noemen, en ook: associëren, of van-het-een-komt-het-anderen (als dat een werkwoord kan zijn). 'Telgang' zag ik ook als mogelijke vertaling, maar dat doet mij, hippisch onbenul, te veel denken aan strenge dressuur en straffe oefening. Overigens is 'the simple additive style of Genesis', Morans eigen woorden dus, eveneens een goede benaming mits we daarbij niet denken aan een Engelse band maar aan een bijbelboek.
De voorgaande zin is geen goed kuiervoorbeeld omdat de constituenten van het gezegde erin uiteen gereten zijn en het begin niet de evidente hoofdgedachte bevat. Hieruit kunnen we misschien afleiden dat die eerder genoemde 'omslag' beter maar met een stevige korrel zout kan worden genomen, want louter Senecaans schrijven lijkt net zo onmogelijk als zuiver Ciceroësk pennen.
Ik citeer de opening van There but for the en zal daarna een en ander toelichten:
The fact is, imagine a man sitting on an exercise bike in a spare room. He's a pretty ordinary man except that across his eyes and also across his mouth it looks like he's wearing letterbox flaps. Look closer and his eyes and mouth are both separately covered by little grey rectangles. They're like the censorship strips that newspapers and magazines would put across people's eyes in the old days before they could digitally fuzz up or pixellate a face to block the identity of the person whose face it is.
De mededeling of de inhoud van de eerste zin is betrekkelijk bizar, of prachtig paradoxaal, en zet het werkelijkheidsgehalte van alles wat er nog op volgt op lucide wijze op losse schroeven. Niets is onmogelijk in deze roman (dat is evenwel niet specifiek eigen aan fictie; kijk maar om je heen in de werkelijkheid en zie wat daar aan de lopende band aan onvoorstelbaars gebeurt; de kranten staan er dagelijks vol van, voor wie het zelf niet ziet). Maar de structuur van de eerste zin is zo simpel als 1+1=2: 'The fact is [...].'
Hoe kernachtig kan een zinsstructuur kan zijn? Okay, dat is wat te simpel gezegd, want na de eerste persoonsvorm volgt toch nog wel een tweede, een tweede zin zelfs; strikt genomen een ingebedde zin, een zinsdeelzin. Maar de komma en de bijzonder doorzichtige structuur van de hoofdzin zorgen ervoor dat het geheel toch erg eenvoudig is.
Het tweede deel van de eerste zin lijkt me een voorbeeld van syntactisch kuieren. 'Imagine a man' is net zo eenvoudig, doorzichtig en begrijpelijk als 'The fact is [...]'. Een pronte kernzin. Een korte bewering, een opdracht, een bevel haast, nee: een uitnodiging of een captatio benevolentiae. Je wordt als lezer geactiveerd. Na de kern wordt het object nader gepreciseerd of bepaald door 'sitting', en dat wordt preciezer gemaakt met 'on an exercise bike', en tenslotte volgt van dat laatst toegevoegde element nog de plaatsbepaling: 'in a spare room.'
Ook de volgende zin werpt voor het goede begrip geen hindernissen op. 'He' verwijst betrekkelijk eenduidig naar diezelfde, eerder genoemde man; en hij wordt nader aangeduid als zijnde 'a pretty ordinary man'.
En dan komt er iets wat eveneens tekenend is voor Smiths stijl: ze gebruikt een verbindingswoord, een voegwoord of connectief, maar het is een connectief dat per se paradoxaal is, want het wijst op een tegenstellend verband. 'But' realiseert een vervolg van de zin, maar is tegelijk een soort zijpad dat afleidt van de eerder gemarkeerde doorgaande weg van de betekenis. Deze man, staat er, is behoorlijk doorsnee, afgezien dan van het gegeven dat hij volkomen excentrisch is. De lezer treft weer een paradox aan, zoals er ook in de eerste woorden van deze roman een werd geformuleerd: 'The fact is: imagine a man' - feit versus verbeelding. Maar in de tweede zin wordt de paradox gevormd door de combinatie van doorsnee of gewoon en excentrisch of ongewoon.
De zinnen die daarop volgen, zijn wat structuur betreft weer eenvoudig, maar inhoudelijk slepen ze de lezer steeds dieper in de on-mogelijkheid of de surrealiteit: de beschrijving van de onvoorstelbare driedimensionale uitvoering van iets wat op papier en op het computerscherm wel reëel is.
Leep is de kwalitatieve sprong van 'imagine' naar 'look closer', van de uitnodiging je iets voor te stellen wat er niet echt is naar de aansporing datzelfde nog beter in ogenschouw te nemen, als bestond het. Eenzelfde sprong is er tussen [across his eyes and also across his mouth] 'it looks like' en [his eyes and mouth] 'are', een sprong van verbeelding naar feit.
Deze man, die nog geen naam heeft, doet in het echt (wat dat ook is in deze context) wat alleen op papier of op een scherm kan: zijn identiteit onkenbaar maken met balkjes. Hij is in het verhaal een man die zich uit de sociale wereld terugtrekt, als eenling verdwijnt in een lege kamer in het huis van zijn gastheer en gastvrouw. Zijn bestaan is er voor de anderen niet minder intrigerend door geworden; het krijgt steeds meer substantie in de achtereenvolgende hoofdstukken waarin steeds een ander personage de centrale focalisator is en hij, die man, nog steeds het object.
woensdag, april 07, 2021
Enkelmeerfout
De lading bestaat onder meer uit een aantal schepen, die voor een deel van het dek zijn geslagen.
Dat is gek: de lading van het zwaar slagzij makende vrachtschip zou onder meer bestaan uit schepen die geen deel meer uitmaken van de lading ten gevolge van die hoge golven (en misschien doordat ze niet goed waren vastgesjord, dat weet ik niet).
Had er in de geciteerde zin dan niet 'bestaat' moeten staan maar 'bestond'? Nee, want de lading bestond aanvankelijk uit een (groot) aantal schepen, denk ik, en ze bestaat nu nog maar uit een (kleiner) aantal schepen. Als niet alle schepen van boord zijn geslagen, dan zijn er – en kijk maar naar de foto en de filmpjes op internet – best nog wel wat aan boord achtergebleven. Hoeveel is niet duidelijk. Dan zeg je kennelijk maar: een aantal. Doorgaans is dat echter een betrekkelijk zinloze, want niets duidelijk(er) makende kwanitificatie. Zoals ook hier weer.
[Enkele dagen later is duidelijk dat er nog zeven (7) schepen aan boord waren toen het schip in zwaar weer terechtkwam, en dat er toen een (1) van het dek gekukeld is; volgens een doorgaans betrouwbare bron verklaart dat wel de slagzij die het schip vervolgens maakte].
De tekst wekt echter nog een andere suggestie. Ondanks de heftige storm en de dito slagzij van het dragende schip zijn alle schepen aan boord gebleven. Wel zijn ze ernstig beschadigd, want het zijn 'schepen, die voor een deel van het dek zijn geslagen.' De zee ligt ter plekke nu kennelijk vol voor- of achterstevenafval.
Was dit surrealistische ongeval helderder en meer waarheidsgetrouw in het nieuws gekomen als de penvoerder zich niet had bezondigd aan een ouderwetse enkelmeerfout? Zou de volgende tekstversie beter weergeven wat er aan de hand is:
De lading bestaat onder meer uit een aantal schepen, dat voor een deel van het dek is geslagen.
Neen. De schepen die van het dek zijn geslagen, behoren niet meer tot de actuele lading van het schip dat een speelbal van de woeste baren is geworden. Dat nu tollende schip is het lijdend voorwerp van dit bericht, niet het schip dat het nog was toen het statig de haven verliet waar het van lading werd voorzien.
Natuurlijk begrijp ik wel dat er in deze tekst iets staat als:
Van de lading, die onder meer bestond uit een aantal schepen, is een deel van het dek geslagen.
Pas dan staat er dat een deel van de lading, een deel van het aantal schepen dat de lading vormde, van het dek is geslagen, en niet een deel van de schepen die de lading vormden, en ook niet dat de weggeslagen schepen een deel van de lading vormen nu het schip in nood is en een gevaar vormt voor wie er bij in de buurt durft te komen.
Als ik in de nautische journalistiek werkte, zou ik die twee keer 'van' voor lief nemen in deze herschrijving van de mededeling. Om die repetitie te verdoezelen, en bijeen te zetten wat bijeen hoort, zou ik de zin toch als volgt herschrijven:
Een deel van de lading, die onder meer bestond uit een aantal schepen, is van het dek geslagen.
En bij nader inzien zou ik er niet bij zeggen waaruit die lading bestond. Dat doet er hier en nu niet toe.
Een deel van de lading is van het dek geslagen.
Dat is de actie die van belang is. Dat geeft sjeu (althans Schadenfreude) aan de story.
Je mist dan wel de komische noot dat een van de weggeslagen scheepjes nog wel dobbert en geborgen kan worden, zoals de Noorse kustwacht wist te melden. Puntje puntje puntje. Of de Eemslift Hendrika nog ongeschonden een veil'ge reê bereiken zal, ligt in de schoot der goden [of: in de handen van Boskalis].














