vrijdag, september 05, 2014

In Dubio Senseo

Toen mijn eermalige collega-docent, leidinggevende en promotor Wiljan van den Akker (1954) begon te tellen, niet op een Montessoritelraam, maar beroepsmatig, toen hij, in andere woorden, begon te kwantificeren – zichtbaar sedert het eerste nummer van Nederlandse letterkunde (Van den Akker 1996) – kon je, strictly speaking for my self (Erick Parker 2013), op je provinciale klompen voelen aankomen dat hij zich, dwaas of niet, los ging zingen van wat toen nog heette de afdeling Moderne Nederlandse Letterkunde. Hij zou, vóór alle anderen, de mede door zijn – en, als ik zo vrij mag zijn: deels ook mijn – leermeester A.L. Sötemann gebaande paden der poëtica, editietechniek en poëzie-interpretatie gaan verlaten.

Hard core neerlandici telden – althans in de, niet geheel van een Utrechtse, Emmalaanse cylinder bevrijde optiek – als ze al konden tellen, hooguit lettergrepen: bij grotere eenheden verloren ze, en verliezen ze nog steeds, de greep op de letteren. Maar we weten inmiddels: niemand kan van nature zijn hartstocht onderbreken (Nijhoff 1925). En wie landelijk en internationaal wil meetellen, doet mee met tellen. Laat mij nu in zijn spoor proberen te treden.

Het heeft me vaak en ook lang verbaasd – en misschien doet het me dat nog steeds – dat Nijhoffs roemruchte en in meerdere, alle even lastig te interpreteren, versies overgeleverde gedicht ‘Impasse’ zo’n hoge vlucht heeft kunnen nemen in de neerlandistische aandacht. Het gedicht is (eigenlijk, maar dat is een methodisch niet hoog gewaardeerd concept onder de vakbroeders en traditioneel ondermaats vertegenwoordigde –zusters) een niet onduidelijk verhaaltje op rijm. Een kletsverhaal (Van den Akker 1992), ware het niet dat de naam van Nijhoff er als een keurmerk van ambiguïteit boven of onder prijkt. Ook professor doctor W.J. van den Akker, wiens vertrek als decaan van de faculteit der geesteswetenschappen van de Universiteit Utrecht wij op de dag waarop dit schrijven openbaar wordt, betreuren, heeft zich er lang en aanhoudend mee bezig gehouden, blijkens ‘De schrijver in een impasse’ (Van den Akker 1987) en ‘De impasse van de schrijver’ (Van den Akker 1989) in De nieuwe taalgids, en zijn boek Dichter in het grensgebied (Van den Akker 1994).

Hij priemde steeds met zijn acribisch lancet in het gedicht, vol aandacht voor de subtiele en impliciete verwoording van zowel een manifeste als een latente dan wel verborgen thematiek, niet minder op het gebied van de poëtica dan respectievelijk dat van de intermenselijke relaties, en meer in het bijzonder het huwelijk. Zijn colleges wist hij dan ook steeds uitstekend te verlevendigen met uiteenzettingen over de vele verschillende versies van het gedicht. Tijdens de Culturele Zondag van 2002 sprak hij er opnieuw (om niet te zeggen: alweer) over en wees bij die gelegenheid onder meer op de ‘tijdloosheid’ ervan. Pour besoin de la causerie vergat hij dat de specifieke techniek van het koffiezetten door langzaamaan / druppelend water op de koffie te gieten (Nijhoff 1990: 216), bepaald niet meer van deze tijd is, noch van de destijds laat-twintigste-, noch van de thans vroeg-eenentwintigste-eeuw, een era waarin Beertender, Kenwood, Magimix, Senseo en andere troosteloze machines het tempo in de keuken dicteren, de maat van het huishoudelijk bedrijf slaan. ‘Impasse’ dateert zelfs evident van lang voor de snelfiltermaling; van het door Nijhoff beschreven met de hand gedruppelde type ken ik alleen nog maar het straffe bakkie troost van mijn schoonmoeder – anno 1926 – (mijn schoonmoeder, bedoel ik, niet het bakkie); maar dit terzij.

Zijn klassieke status heeft ‘Impasse’ misschien te danken aan zijn ‘schijnbare eenvoud’ (Van Bork en Verkruijsse 2000). In de door Van den Akker met zijn collega proximus annex proxissimus Gillis J. Dorleijn bezorgde editie van Nijhoffs Verzamelde gedichten telt het gedicht op de kop af 100 woorden: 29 in elk kwatrijn, 21 in ieder terzet; de ‘Acht sonnetten’ van Nieuwe gedichten bevatten gemiddeld 104,375 woorden. Dat u het maar weet.

Opmerkelijker nog is dat ‘Impasse’ slechts 69 verschillende woorden bevat. Nijhoff gebruikt er daarvan 55 één maal; de overige 14 hebben een hogere verschijningsfrequentie, uiteenlopend van 2 - in 7 gevallen - tot 8, en daarbij gaat het om het eerste persoonlijk voornaamwoord der enkelvoud, ik. Hierbij dient aangetekend te worden dat het laatste ik gebezigd wordt door de tegenspeelster van de (naar iedereen traditioneel-neerlandistisch klakkeloos aanneemt mannelijke) ik-figuur: morfologie en semantiek correleren dus niet in deze lexicale isotopie.

De schat waaruit Nijhoff zijn woorden heeft gekozen, blijkt, bij nadere beschouwing, weinig minder dan armoedig. Van de 100 woorden zijn er 18 persoonlijke of bezittelijke voornaamwoorden, die verwijzen naar het schamele tweetal personages van dit verhaaltje (wij, zij, ik, mijn, haar, je, in uiteenlopende frequenties). Dan zijn er 6 tijdsaanduidingen van geringe reikwijdte (dagen, vandaag, nu, juist, dan en terwijl). Voorts 9 lidwoorden (de, het en een; in dit domein graait Nijhoff alles bijeen wat er maar te vinden is). Verder tel ik (nader onderzoek zal voor deze observatie nog steun moeten verzamelen) 6 woorden die worden gebruikt in twee verwante vormen of met verwante betekenissen (vraag, als werkwoord en als zelfstandig naamwoord, vroeg, bezig en bedrijf; wachtte en onbewaakte; hebbend en hebben; fluitketel en fluiten; antwoorden en antwoordde). Met andere woorden: 27% van de woorden herhaalt 8% van de woorden. Van het totaal aantal woorden heeft 35% dus een forse graad van redundantie. Een nogal hoge score, in aanmerking genomen dat Nijhoff slechts één sonnet met jambische vijfvoeters tot zijn beschikking had.

Het is duidelijk dat ‘Impasse’ handelt over een spaak gelopen relatie. Wie zich dat realiseert, bemerkt, zij het wellicht pas bij herhaalde lezing, dat het thema al in de eerste regel breed wordt uitgemeten: Wij stonden in de keuken, zij en ik. De – niet dan schijnbare – zinledigheid, overbodigheid in ieder geval, van de uitleg zij en ik bij het beginwoord Wij is bij nader toezien ronduit huiveringwekkend: ze bevat nauwelijks nieuwe, zinnige, aanvullende informatie; ze is meer van hetzelfde, biedt in andere woorden van hetzelfde laken een vrijwel identiek pak. Gegeven de datering van het gedicht, ‘vóór 12 augustus 1935’ (Nijhoff 1990: 438), is het echter nauwelijks verrassend dat het niet een man en een man betreft, of twee vrouwen. Dat was toen nog niet toegestaan (zo zien we maar weer dat poëzie doorgaans nogal wereldvreemd is).

De semantische redundantie van het gedicht is dus nog groter dan al uit telling van de woorden blijkt. Bij nader toezien is de genoemde explicatie in de eerste regel een, om het met Sötemanniaanse nadruk te zeggen, pregnante uit-een-legging: de eenheid die Wij kan aanduiden, wordt gesplitst in losse elementen. Na Wij is er van een twee-eenheid geen sprake meer in het gedicht. De categorie van de slechts eenmaal gebruikte woorden in ‘Impasse’ is bepaald niet klein, maar toch is het omgekeerd evenredig significant dat Wij ertoe behoort. Bovendien lijkt het me – intuïtief – opmerkelijk dat het gedicht met Wij begint, en dat het er niet mee eindigt! Wie in één van de overgeleverde versies (Nijhoff 1947) alle redundante woorden schrapt om het gedicht op Nijhoviaanse op te knappen, houdt deze kernachtige zelfdeconstruerende genotekst over: Wij […] niet.

Alleen een empirisch onderzoek geeft antwoord op de vraag of inderdaad weinig gedichten met Wij beginnen. Ik ben dus gaan tellen en turven, zij het slechts in een experimentele uitsnede van de moderne Nederlandse letterkunde. Mijn selectie van bij het onderzoek betrokken oeuvres is gebaseerd op het sociaal-economisch vertekende toeval van mijn boekenkast, en dan alleen nog die in de woonkamer; de beperking tot veertien oeuvres is afgeleid van c.q. semantisch gebaseerd op het aantal regels van de generische aanleiding: het (traditionele) sonnet. Alleen verzamelbundels zijn verwerkt, en dan nog slechts die met een register op beginregels (vandaar dat Kloos jammerlijk ontbreekt in het overzicht, dat – steunend op de hypothese dat dit afscheid er ooit een keer zat aan te komen – reeds is opgesteld ruim voor het verschijnen van een dergelijke editie en ook, zonder evenwel de indruk te willen wekken dat dit reeds eerder werd verwacht of gehoopt, ruim voor het daadwerkelijke afscheid van Van den Akker als decaan.

Alleen de niet-vertaalde gedichten zijn meegeteld. Alleen gedichten met Wij en We, en – in de controlegroep – Ik, op de allereerste plaats zijn geteld; de variant ’k onttrekt zich aan de registers, gelukkig maar want het zouden het mijns inziens maar rare gedichten zijn die daarmee beginnen. Bij Eybers heb ik natuurlijk op Ons en Ek gezocht. In het register van Jellema’s Gedichten, oden, sonnetten zijn alleen beginregels geregistreerd van teksten zonder titel; van hem kan het aantal gedichten in deze telling dus te laag zijn. De gedichten van Gezelle, tot slot, zijn in de geraadpleegde editie gestapeld, en uit een uitermate minuscuul lettertje gezet: het toch al imposante aantal bladzijden herbergt een relatief groot aantal gedichten, zodat de percentages bij hem wat laag zijn.

De percentages van gedichten beginnend met Wij en Ik zijn gerelateerd aan het totaal aantal bladzijden met gedichten (inhoudsopgaven, verantwoordingen en dergelijke niet meegeteld, dus), omdat het echte tellen van gedichten stukloopt, niet alleen bij Leopold of Adriaan Roland Holst, op het onderscheid tussen gedichten, samengestelde gedichten, cycli en reeksen. De resultaten van het turven volgen hieronder.

Het idioot hoge Wij-percentage bij Komrij (wiens oeuvre wel vaker tegen mijn intuïtie in gaat) vraagt om nader onderzoek, net als het gegeven dat Nijhoff met Wij net boven, en met Ik ruim onder het gemiddelde zit.

Kijken we, ondanks de opzet van deze steekproef, maar indachtig de opzet van Van den Akkers proefschrift (Van den Akker 1985), toch nog even naar Kloos:

Wie had dat gedacht: Kloos en Lodeizen op eenzelfde Ik-golflengte? Bien étonnés de se trouver ensemble. Maar inderdaad: Kloos en Nijhoff hebben, in lijn met Van den Akkers bevindingen op een ander vlak, ook op dit gebied weinig met elkaar gemeen. En hoe langer je telt, hoe minder overeenkomsten je vindt. Kloos’ beroemde sonnet ‘Sonnet’ ('Ik ben een god...') handelt wel over een moeilijke relatie, maar er vloeit geen druppel koffiewater in (anders dan dat van de door hem zo bewonderde Multatuli bevat Kloos’ oeuvre sowieso byzonder weinig koffie).

Het sonnet bestaat uit 114 woorden, waarvan 56 verschillende (49,12%) eenmaal voorkomen, en de resterende 58 (50,88%) in een frequentie van 2 tot maar liefst 10. De 10 verschillende woorden van de eerste regel worden letterlijk herhaald in de achtste regel. Zo bont maakt Nijhoff het niet, nergens. Hoogst-frequent is en, maar al die voegwoorden dienen vooral om de verschillende componenten van de ik-figuur bijeen te houden, niet om de ik- aan de gij-figuur te koppelen.

Frappant in dit licht is ook het voegwoordbeeld van ‘Impasse’: en heeft een frequentie van 3. Weinig nevenschikking, weinig voortgang, weinig actie, als en wordt opgevat als een lyrische samentrekking van het epische en toen. Ook het tegenstellend verband is niet hoogfrequent: Maar komt maar 2 maal voor; opmerkelijk is dat deze 2 op elkaar inhaken: de ik wil iets doen, maar durft dat niet en verzint daarom een voorwaarde waar moeilijk aan te voldoen is; maar nu zich toch de ideale situatie voordoet, doet hij nog niet wat hij wil. Kloos daarentegen wil een scherp contrast neerzetten tussen de fundamentele capaciteiten van de ik ener- en diens momentane onmacht onder invloed van de gij anderzijds, en doet dat door middel van En tóch.

Utrecht, Departement TLC, 5 september 2014

[Om de bijdrage feestelijk te houden, heeft de redactie de summary, de inleiding, de vraagstelling, het theoretisch kader, de conclusie, de discussie, de noten, de literatuurlijsten en de bijlagen gesupprimeerd.]

dinsdag, augustus 19, 2014

About e-reading maar weer eens een keer

Het platte blauwe vogeltje tjilpte een bericht over een bericht in The Guardian met deze titel: "Readers absorb less on Kindles than on paper, study finds". Achossie, weer een onderzoek dat onderschrijft wat Nicholas Carr vier jaar geleden 275 bladzijden lang al duidelijk maakte in The Shallows. Maar de ondertitel van het verslag in The Guardian luidt: "Research suggests that recall of plot after using an e-reader is poorer than with traditional books".

Het gaat hier om het weggemoffelde onderscheid tussen "Kindles" en "an e-reader" en tussen "paper" en "traditional books". Nou goed, dat laatste onderscheid lijkt te verwaarlozen, ware het niet dat in het bijschrift onder de foto die onmiddellijk onder de ondertitel staat, staat: "a print pocket book". Hebben we hier nu al drie termen voor een en het zelfde begrip, of mogen onder die verschillende begrippen toch echt onderscheiden concepten uit de werkelijkheid worden verstaan? Mijn bibliotheek nochtans bestaat vooralsnog vooral uit "print pocket book"s, en helaas maar weinig gebonden boeken, en die gebonden boeken zijn boeken met een voor mij bijzondere waarde en boeken met een bijzondere inhoud; ze zijn misschien zakelijk-informatief te vergelijken met hun geplakte tegenvoeters uit een andere oplage, maar niet zonder meer vergelijkbaar. Voor een gebonden boek ga ik zitten om het te lezen, een geplakte pocket pak ik er even bij als ik doende ben met iets anders.

In de eerste zin van het artikel gaat het over het onderscheid tussen "readers using a Kindle" en "paperback readers". Hoppatee, nog een boekensoort erbij. Komisch is dat het in de tweede zin gaat over "The study, presented in Italy at a conference last month and set to be published as a paper", waarbij ik me dan onmiddellijk afvraag: wat voor soort "paper": een "pocket", een "paperback" of een "traditional book", of toch nog iets anders. De tijd van opmerkingen over die rijke taal van de Inuits is voorbij: zij raken niet uitgesproken over sneeuw in tig tinten, wij niet over papier!

Het onderzoek stoelde op eerder onderzoek en op veronderstellingen op basis van dat onderzoek, maar dat eerdere onderzoek had betrekking op "comparing reading an upsetting short story on paper and on iPad." Eerst een "Kindle", dan een "e-reader" en nu weer een "iPad". Alleen al de terminologie lijkt uit te nodigen tot een veelvoud aan onderzoeken, niet alleen aangaande de verschillen tussen - laat ik het kortweg aanduiden als - het lezen van analoge en digitale teksten, maar ook aangaande de verschillen tussen het lezen van proza op een Kindle, een ander merk e-reader en een iPad.

Ik struikel over die mogelijkheden, omdat ik zelf een Sony PRS-T1 heb en gebruik. Prima ding, als je er eenmaal je boeken op hebt weten te zetten. Leest als een tierelier. Afgezien dan van het 'omslaan' van de bladzijden; dat gaat - zoals alles wat dat apparaat voor je doet - bijzonderlijk onaangenaam traag. Je kunt er ook het internet mee op, maar dan moet je wel een dagje vrij nemen. En een heel goede leesbril. En stalen zenuwen. Maar lezen kan je ermee, overal, als-ie opgeladen is, en zuinig is-ie ook. Met een iPad kan je de gekste dingen doen vanuit je tekst (volkomen afhankelijk van welke app je gebruikt om ermee te lezen: iBooks, Bluefire, Tablisto, Kobo, Play Books en wat er niet meer is; om hoorndol van te worden; ik heb minstens vijf verschillende boekenkasten in dat ding, die niet met elkaar communiceren, en geen van alle wil ook maar iets uit m'n Sony oppakken).

Vervolgens wordt er ook gerefereerd aan een onderzoek van lezertjes die "texts to read [kregen] in print, or in PDF on a computer screen". Dat lijkt me weer een ander kopje thee. Een PDF op een pc-scherm lezen... dat heeft geen snars te maken met languit op de bank een e-pub-tekst lezen op een e-reader met digitale inkt en een hypersensitieve internetbrowser en dingen. Gooi maar in mijn hoed en zoek het uit.

maandag, augustus 11, 2014

Maar nu even dit

Krant en internet staan ook in Nederland vol met berichten over de weinig verheffende strubbelingen van webwinkel Amazon en uitgeverij Hachette, maar intussen duikt er op Twitter met enige regelmaat een beschaafd verzoek om belangstelling en hulp op. Nota bene.
Dat moet toch niet al te moeilijk zijn, om die hulp te bieden? Aan zo'n beschaafde prijs met een vriendelijke publieksjury en een dito vakjury die netjes achter schermen in stilte het eerste kaf scheidend van het koren haar vuige hatchet jobs beschaafd verricht?

Klik hier voor nadere informatie en draag bij aan het in stand houden van de al bijna twee decennia oude, maar nog steeds sprankelende en stimulerende prijs voor literaire prozadebuten, toegekend aan onder anderen Shira Keller, Erik Menkveld(†), Peter Buwalda, Marieke van der Pol, Anna Enquist, Gerbrand Bakker, Erwin Mortier en Joyce Roodnat.

dinsdag, augustus 05, 2014

Interpretatie

Over het interpreteren van 'verkeers'borden, in dit geval die bij de toegang tot een semi- dan wel neo- of anders toch post-vulkanisch meer in de Auvergne.

Bij nader inzien niet al te moeilijk:

1. Je mag niet in het meer zwemmen;
2. Je mag niet op het meer met een bootje peddelen annex kanoën (ook niet als je niet weet hoe je de peddels, riemen of wrikstokken moet vasthouden);
3. Je mag het meer niet in de fik steken.

Simple comme 'Bonjour', zou mijn moeder zeggen (die geen rijbewijs had, en dus ook niet wist dat alle drie de borden eigenlijk het einde van een verbod beduiden).

maandag, juni 02, 2014

Dizzling about e-reading

Nog even op iets inhaken, al was het maar om de boel netjes af te hechten (en omdat ik tekstpunniken leuk vind). Het gaat hierover. Daar, in dat postje, zei ik iets over de onvoorstelbaarheid van een e-versie van een uitermate tastbaar boek. Het aardige is dat die e-versie er inderdaad is (nog niet in Nederland), en dat de auteurs er een digitaal woordje aan hebben toegevoegd, waarmee ze precies dat opmerken wat ik bedoelde: het echte lezen van S. kan eigenlijk (letterlijk, dit) alleen maar goed met de niet-e-versie, met de materiële, tactiele, gedrukte papieren versie.

Dat vind ik nog eens klasse: auteurs die waarschuwen voor de oneigenlijkheid van de e-versie van hun eigen boek, een versie waarvan ze de publicatie tegelijkertijd niet hebben kunnen of willen tegenhouden, denk ik. Poen moet rollen, schoorstenen moeten roken en stinken niet.

Vandaag heb ik de voor- of inkijk van die e-versie geconsumeerd. En eerlijk = eerlijk: die is in zekere zin en tegen mijn verwachting ijzersterk. Het papieren boek is al een reproductie van een boek, dus een digitale weergave daar weer van kan er ook wel bij; multipliceert het niet, dan deert het niet. En de losse invoegsels zijn er ook in de digi-versie. Je kunt ze alle zo een beetje heen en weer bewegen op de pagina met je muizende vinger of zo, opzijschuiven om de 'onderliggende' pagina te kunnen lezen; en je kunt er de achterkant ook van bekijken. Wat niet kan, is dat ze tijdens het lezen uit het boek pletteren zo dat je de oorspronkelijke plaats ervan kwijtraakt. Echte rommel is niet te digitaliseren. De digitale versie is statischer dan de analoge. De analoge versie is echt echter, beter, veel beter. Maar de digitale is zeker geen slap aftreksel.

Nog vreemder: de digitale versie heeft de optie om de ingebedde roman, Ship of Theseus dus, te lezen zónder de marginalia. Op iedere opening van het 'boek' zit een knopje om de marginalia in en uit te schakelen. Daarmee heb je in de digi-versie dus een optie die de analoge versie niet heeft.

Gek genoeg is deze prachtige, 'schone' versie van de ingebedde roman volslagen overbodig. Die roman heeft in die vorm immers nooit bestaan. Sterker: deze optie ontkent juist de suggestieve kracht die uitgaat van de analoge versie, namelijk dat je met dat echte boek in je echte handen je er steeds van bewust bent dat er iets wezenlijks niet klopt aan dit facsimile-boek. Noem me van de oude stempel: ik ben dol op papier: bindgaren, ezelsoren, roest als het moet, maar liever lompenpapier.

Dom dom dom

Hedenochtend me het schompes annex habbiebabbie gezocht naar een boek. In de woonkamer op allerlei plekken: onder andere boeken, onder kranten en folders, in de boekenkast zelfs, op het boekenplankje en in de stapeltjes achter de bank. Niet te vinden.

Dan maar op m'n nachtkastje en ernaast (onvoorstelbaar dat daar dat boek met die lelijke muil erop zou liggen).

Steeds hoger, op de studeerkamer, want ik gebruik het tijdens het college "Instituties: Literatuurkritiek": bureau, onder mappen en papieren, tussen boeken, onder boeken, ernaast, op de boekenplanken: niks. Nog maar eens beneden. Weer niets.

Ah! Dan ligt het op mijn werkkamer op het instituut, op m'n semistatisch flexplekbureau temidden der papieren. Weder niets en noppes.

Uren later. Ik m o e t nu echt iets opzoeken in het boek. En in een verstoken hoekje van mijn brein bereid ik de zoekactie kennelijk al voor, en dan pas weet ik opeens waar het boek ligt.

Nergens!

E-boek gekocht, geen analoog boek.

Beste mensen, dit was een waar verhaal, want die amateur e-lezer, dat ben ik.

zondag, mei 18, 2014

Against e-reading again

'k Las net op een blog iets razend interessants: kijk er maar eens, hermeuten aller landen, en vervroolijkt u.

maandag, maart 31, 2014

Zonnestraaltaal

Tijdens een bijzonder lentelijke seizoenswandeling over en om wat ik maar even noem de Hilversumse heide met niemand minder dan Meta, die ik toch al gauw bijna honderdzesenzeventig seizoenen ken (Bengel was mee) kwam ik eindelijk eens in het echt De Zonnestraal tegen, zo'n bouwwerk (anno 1928) dat ik alleen van plaatjes kende tot dan toe.

Sinds kort is er ook een brasserie te vinden op het complex. Aangenaam, want het was een mooie dag. Ik kan niet klagen, maar dacht wel aan Hildebrand: Hoe warm het was en hoe ver. We kwamen er net na sluitingstijd, maar kregen toch nog een verfrissing, ook Bengel; die kreeg er zelfs wat brokken bij (Meta en ik niet).

Bij de ingang van het complex staat een set informatieve borden. Of: informatief bedoelde borden. Best moeilijk, dat schrijven over cultuur en techniek voor het grote publiek. Kiezen voor een (geciteerde) metafoor als: een wit 'schip op de hei', vind ik in die context moedig (het complex lijkt mijns inziens op vanalles, maar niet op een schip, maar dat maakt de metafoor misschien alleen maar meer intrigerend). Maar om De Zonnestraal aan te duiden als een 'sanitair gebouwencomplex'... dat lijkt me minstens een gallicisme, en doet me nabij Hilversum vooral denken aan een mega-urinoir. Wel gek, dat 'sanatorium' en 'sanitair' in zo heel verschillende domeinen zijn gaan functioneren.

Echt onbegrijpelijk wordt het als het gebouwencomplex 'geïmmatrialiseerd' blijkt te zijn, en dan nog niet even gewoontjes, maar zelfs volgens de 'kosmische wet der economie'. Duiker, de architect, kon kennelijk beter ontwerpen dan formuleren. Of de bordenmaker.

In andere bronnen, die klaarblijkelijk gebruikmaken van dezelfde Duiker-tekst, kom ik het woord 'geïmmaterialiseerd' tegen. Gebouwen waarvan je de materialiteit bijna niet meer ziet, zal bedoeld zijn. Daar kan ik me wel wat bij voorstellen, gezien het gebruik van dat 'moderne' beton, inclusief de 'verjongende' horizontale draagbalken, waar heel dunne vlakken mee geconstrueerd zijn, en die dunne sponningen, het vele glas, de witte verf, de ruime, lichte opzet van het complex. Dan zal 'economie' wel iets als 'zuinig gebruik' betekenen. Waar de kosmische orde vandaan komt... mij wondert. Toch eens iets meer van die Duiker lezen.

zaterdag, maart 22, 2014

Creatief met titels

Het valt niet mee om op te vallen in de boekenproductie, en al helemaal niet als debutante. Een leuk omslag is dan wel handig, als ook een prikkelende titel. Beide kenmerken heeft het debuut van Gemma Venhuizen, vorig jaar verschenen bij Nijgh & Van Ditmar: Alle bessen kun je eten alleen sommige maar één keer.

Eenvoudige kleurstelling; de kleuren van de illustratie en de tekst worden leuk gecombineerd; een figuur erop, onherkenbaar en in een maffe poze. En: geen bes te bekennen natuurlijk in dat poolgebied. Prima: de lezer moet je niet de kans ontnemen zelf beelden te vormen van wat er in een roman staat.

De titel klinkt goed; is goed van ritme, met die ondertitel die iets terugneemt van de hoofdtitel. Grappig, dat anaforische woordspel van 'alle' tegenover 'alleen'. Wel jammer dat het contrastieve effect van 'alleen' te niet wordt gedaan door het 'sommige' dat erop volgt. Nochtans is meteen duidelijk wat de bedoeling, de bedoelde implicatie is: pas op, sommige bessen zijn dodelijk giftig.

Maar, het staat er niet. Er staat best wel een beetje onzin. Alle bessen, immers, kan of kun je maar één keer eten. Na het eten is iedere bes gegeten, weg, verdwenen, ontbest. Alleen in geval van een wat onappetijtelijke voedingscyclus, om niet te zeggen: voedingskortsluiting, van consumeren, vomeren en reconsumeren zouden we kunnen gaan denken aan bessen die je meer dan één keer kan of kunt eten. Maar dan moet het ook mogelijk zijn om álle (soorten) bessen meer dan één keer te eten. Lekker is anders, maar ook een dodelijk giftige bes kan of kun je na na het braken wederom tot je nemen, als je maar snel genoeg kotst; niet eerst die boel helemaal gaan verteren.

Ook in een andere belichting is de titel betrekkelijk onzinnig. In het echte leven is voor iedereen afzonderlijk de consumptie van één dodelijke bes slechts mogelijk. Als je die ene dodelijke bes gegeten hebt, en je sterft (en dat moet wel, anders was de bes niet dodelijk), kan je niet nóg een dodelijke bes eten; en eten impliceert dan echt volledig opeten, inslikken en verteren. Dat je ook nog sommige ándere bessen maar één keer zou kunnen eten, is dan dus irrelevant.

Van beide overwegingen is de slotsom: welke bes je ook kiest, je kan of kunt hem maar één keer eten. Het antwoord op de vraag hoeveel bessen je kunt of kan eten, is afhankelijk van het gegeven of je een giftige bes kiest, of niet. Waarmee maar weer eens blijkt dat het belang van grondige voedingswarenkennis groot kan zijn. Wie die niet heeft en toch zo veel mogelijk bessen wenst te eten, doet er goed aan dan maar zo veel bessen als mogelijk in één keer in zijn of haar waffel te proppen. Wat de kans op antiperistaltische contracties van het spijsverteringskanaal weer doet toenemen, waardoor de mogelijkheid om veel bessen meer dan eens te eten navenant stijgt.

Hoe grappig de titel lijkt, zo weinig pregnant en zo weinig zeggend is hij bij nader lezen. Gelukkig valt er wel wat over te zeggen, waarmee de belangen van uitgeverij en schrijfster weer gediend zijn.

Onderwerp voor de volgende keer: Er gebeurde o.a. niets.

zondag, maart 02, 2014

Against e-reading, again

Eigenlijk moet ik bezig zijn met het repareren, zo niet restaureren, van enige tot alle treden van de trap tussen de begane grond in de eerste verhoging.
(ascendimus ascensiones in corde)

Maar in feite besteed ik mijn tijd aan [...] en het lezen van te veel boeken in te weinig tijd. En wat daarbij geheel en al in de verdrukking komt is een prachtig boekwerk gemaakt door iemand die meestal boeken van anderen prachtig maakt.

Van het tijdschrift Terras mocht Melle Hammer helemaal (voor zich) zelf het boek LaLaLa maken, dat als ondertitel(s) heeft: Typografie, Centrifuge, (en) Grootboek.

Je moet het zelf zien, je moet het zelf voelen en je moet het zelf ruiken. Het is een uiterst materieel boek. Ingenaaid (met - als ik het zo mag noemen, zo'n open rug, zoals het verzamelwerk Nieuwe veters van Robert Anker heeft) met stofomslag, gedrukt op 50, 105 en - naar ik vermoed: vooral - 190 grams papier: je hebt wat in handen.>

En als je het opent heb je ook wat voor ogen. En als je - beter dan ik - leest, krijg je, denk ik, ook het nodige in je geest.

Eén boek een boekenfeest.

maandag, februari 10, 2014

Against e-reading

Dit is namelijk een boek dat je in handen moet hebben. Het is een facsimile van een boek uit 1949, dat nooit bestaan heeft. En het origineel is gejat uit een bibliotheek. Het papier is enigszins aangetast door roest. Er steken allerhande losse papieren in: brieven, notitieblokvellen, ansichtkaarten, een servetje, krantenknipsels, noem maar op. De vertaler en inleider weet niets van de auteur, wiens bestaan in nevelen is gehuld, ondanks een rijk oeuvre. Wat erger is: de marges van het boek zijn door twee mislukte (semi-) academici helemaal volgekladderd met commentaren en correspondentie. Dit is Brakmans Ansichten uit Amerika maar dan beter. Als je Pale Fire leuk vond, ga je hiervan gillen. Als je onder de indruk was van House of Leaves, raak je hiervan uit je dak. Denk ik, maar ik ben pas op pagina ix van de xiv + 456.

Ben inmiddels (08-03-2014) op pagina 192. Het rare van dit boek is dat het centrale verhaal gaat over iemand die zoekt naar zijn identiteit, en dat dat is geschreven door iemand wiens identiteit volkomen onzeker is, en dat de marges vol worden geschreven door twee mensen die al lezend twijfelen over zowel het een als het ander, en dat ze - misschien wel daardoor - dat wat ze lezen ook op zichzelf betrekken; overal zijn immers tekens, verwijzingen, aanwijzingen, sybolen in te zien; als lezer ga je dat heel gemakkelijk ook doen. Anders dan bij gewone boeken wordt je als lezer betrokken bij het verhaal, niet alleen maar geboeid door, maar je wordt er onderdeel van, van het betekenissennetwerk, omdat betekenistoekenning centraal is in het doen en laten van zowel de marginalisten als de hoofdfiguur van het verhaal.

woensdag, februari 05, 2014

Wat ook erg is...

... de datum van aanschaf noteren in een boek, gebonden, met smetteloos stofomslag, een gloednieuw exemplaar, maar voor een prikkie in de uitverkoop, geschreven door Harold Bloom, echt zo'n klassieker die je altijd al eens wilde lezen, The Anatomy of Influence, en er dan meer dan twee maanden later achter komen dat je er nog geen letter in gelezen hebt.

... de leentermijn van een bibliotheekboek voor de vierde keer verlengd hebben (dat kon, dus kennelijk had niet iemand anders het in de tussentijd gereserveerd), en dan na idem zo veel maanden constateren dat je er nog geen letter in gelezen hebt, terwijl het nog wel over poëzie gaat, The Modern Poetic Sequence, zodat je die epische draad ook weer eens stevig zou kunnen opvatten.

... idem voor een ander boek van dezelfde bibliotheek, maar dan wat hipper, een waarover mensen wier oordeel ertoe kan doen, heel hoog opgeven, iets van ene Mettes of zo iets.

... de nieuwste bundel van Piet Gerbrandy, Vlinderslag, die je al tweemaal ademloos hebt gelezen, en waar nog geen fatsoenlijke recensie van lijkt te zijn verschenen, voor de derde keer willen lezen, en er dan achter komen dat je het boek hebt uitgeleend (maar gelukkig weet je dat die lener er ook veel moois in leest).

... een goede reden hebben om eindelijk Hermans' 'Een ontvoogding' uit Moedwil en misverstand voor het eerst te lezen, en er dan achter komen dat je deel 7 van de volledige werken hebt uitgeleend (aan diezelfde lener die de ten onrechte niet gerecenseerde, prachtige bundel Vleugelslag van Piet Gerbrandy leest en herleest).

... dat je geen tijd hebt om die geleende boeken terug te vragen, maar dat dat niet erg is omdat je toch geen tijd hebt om die boeken te lezen, omdat je nog een bespreking van een heel ander boek moet zien terug te brengen van dik 3000 naar max 1500 woorden.

... dat je kennelijk wel vroolijk de tijd weet te vinden om dat allemaal te noteren. Dat is ook erg
relatief.

zaterdag, februari 01, 2014

Lof van de maatval door toeval

De stiltes waren even lang als de gesproken zinnen. Het waren de dalingen van een jambisch metrum,

kommetjes waar het zeer in drupte.
Een prozaïst heeft niet alles onder controle, maar hier - op de grens van pagina 78 en 79 van haar debuut Pels (De arbeiderspers, Utrecht-Antwerpen 2013) - wist Naomi Rebekka Boekwijt het typografisch toeval mooi tot een enjambement te verleiden, of dwingen.

maandag, januari 20, 2014

Quootje

Toen ik mijn overbuurvrouw vertelde van mijn wat trage, mijn wat moeizame leesgang door Van der Heijdens Helleveeg, verraste zij me met de mededeling dat ze het boek al gelezen had. Meestal ben ik degene die de titels aanlevert na autolexie van het betreffende werk. Ditmaal was ze me voor. Minder verrassend, veeleer treffend, was de karakterisering van het boek die ze te berde bracht: 'Toon Kortooms!'

Nee, geen lof was dat, en niet als aanprijzing bedoeld. Ik stemde met haar in, hoewel me niet bewust zijnde ooit wat van Kortooms gelezen te hebben (er stond bij mijn ouders een omnibus van hem in de kast; dichterbij ben ik niet gekomen). Wat een oeverloos voortemmerende, zichzelf steeds maar weer opnieuw herhalende, negaties ontkennende, verdubbelende en herinnerende, aan het theater van de tragische lach gelieerde, burleske Brabantse dorpsnovelle is dit, af en toe tentatief opgeleukt met neo-studentikoze dikdoenerij als 'Door de inchocolade gedrenkte kus was Priapus weer vaardig over me geworden.'

Een personage zegt, dus, nou die zegt nog, Koos dus, hij zegt:

Ik zeg: “Tien, hou je mond. Vertel het me straks. Heel rustig.” Dat doet ze, een halfuur later. “Koos, ik moet je iets akeligs vertellen.” “Ja, meisje, ik weet het.” “Ik ben niet onvruchtbaar.” “Daar had je me mooi te pakken, schat. Geweldig nieuws toch.” “Er is ook slecht nieuws. Jouw zaad is steriel.” De klap die je dan krijgt. Man, man.
Zo ratelt het maar door. Wel onvruchtbaar, niet onvruchtbaar, de ontkenning van wel en de ontkenning van niet, de herinnering aan de ontkenning van niet, het verslag van een gesprek over de herinnering aan de kopie van een brief met de bevestiging van de ontkenning van wel.

De doodsreutel van stervend zaad. Goed opgeschreven, hoor, zonder stijl-, spelfouten, kant of wal. Maar op pagina 193 van de 299 (dan wel 124 van de 194, afhankelijk van de positie waarin ik de tekstdrager houd) deed het bovenstaande citaat mij de leesdeur dicht, with a bang.

Maar wat ik wilde zeggen, over wat het hermeneutenhartje vroolijk bonken deed, twee dingen. Eerstens wederom lof voor het digitale lezen (sorry, Gina, driewerf sorry) want toen ik met een eenvoudig gebaar (even met een vinger priemen en wat vegen) bovenstaand citaat uit de tekst tilde en op mijn schrijfblok plakte, verscheen er automtisch bij:

Uittreksel van: A.F.Th. van der Heijden. 'De helleveeg.' De Bezige Bij, 2013-05-27. iBooks. Er zijn mogelijk auteursrechten op dit materiaal van toepassing.
Van typefoutverontreiniging van een citaat (daar ben ik werkelijk sterk in) en van per ongeluk citeren (daarin dan weer niet) kan zo geen sprake meer zijn in ons hedendaagse post-Peter Nijkamptijdperk, zelfs niet van per ongeluk de bron vergeten; in tegendeel: ik heb moeite moeten doen om die waarschuwing te verwijderen annex te verplaatsen.

En tweedens: ik raakte de draad steeds kwijt in dit boek, of nee, de draad niet, want die is zo lang, die ziet geen lezer die naam waardig over het hoofd, maar wel de parafernalia. Kom je echter in zo'n digiboek een minder prominent personage tegen of een of andere verloren naam en weet je niet meer wie of wat het was, dan priem je even en klikt 'zoek' en hoppa: alle relevante passages netjes op een rij (en inderdaad, ook die mevrouw van de viswinkel vind je eenvoudig, inclusief de context waaruit klip blijkt en klaar dat zij niets van doen heeft met de 'zaakjes boven de viswinkel').

donderdag, januari 02, 2014

Carpe fructum

Vanmiddag bij de lunch ontdekte ik in mijn verstrooidheid dat de deksel van de Jumbo-abrikozenjam precies past op de geheel gelijkvormige pot van de AH-aardbeienjam. Et cetera. Als dat zogenaamd concurerende broodbeleg niet uit een en dezelfde grote vruchtensmeerfabriek komt, eet ik mijn hoed op (bij wijze van spreken).

Maar wat las mijn lodderig oog op de deksels: zit de ene pot 'Boordevol fruit' (wat niet waar is, want slechts de helft van de 450 gram smurrie is van vruchten gemaakt), de andere toept daar overheen met een eveneens wervend bedoeld randschrift: 'Boordevol vers gerijpt fruit'.

Dat men zoiets vermeldt, roept bij mij de gedachte wakker dat de mogelijkheid bestaat dat zulks in andere potten niet het geval is. Zitten die wellicht net zo min als deze boordevol feitelijk fruit, en bestaat de helft die geen toegevoegde suiker is dan ook nog eens uit belegen sap en half rot fruitvruchtvlees?

Eerst het paardenvleesschandaal, nu dit weer. En 2014 is nog geen twee dagen oud: een jaar boordevol beloftes.

woensdag, januari 01, 2014

Topisch

Publieksgerichte informatieve teksten. Ik ken collega's die er zich dagelijks professioneel mee bezighouden. Qua onderzoeksobject. Terecht, denk ik. Ze vormen een genre dat bij voortduring voor verbetering vatbaar is (de teksten, bedoel ik). Dagelijks kan je er exemplaren van tegenkomen in de openbare ruimte. Zoals mij vandaag overkwam tijdens een mild getemperatuurde midwinternatuurwandeling door wat ik, met gevoel voor overdrijving, metonymie en egocentrisme, noem: mijn achtertuin, in dit geval het gedeelte ervan dat 'Landgoed Beerschoten' heet. Ik noem het achtertuin, omdat ik donateur ben van Het Utrechts Landschap (stille hint voor wie nog een goed voornemen over heeft).

Op dat landgoed, dat onder veel meer een waterwingebied omvat, bevind zich een grondwatermeter: een roestvrijstalen object van zeker tweeënhalve meter hoog. Die reële omvang in combinatie met de naamgeving 'grondwatermeter' roept bij de vuurwerkverdoofd kuierende neerlandicus meteen vragen op. Niet alleen: hoe lang is een grondwatermeter, maar vooral: wat - als het geen contradictio in terminis is - is grondwater, ?

Die laatste vraag leek te worden beantwoord in een begeleidend, in kunststof gevat, monumentaal schrijven, opgesteld door een klassiek, beter: basaal geschoolde klerk. Hoewel, basaal? Middelbaar, want Wikipedia herinnerert me aan deze redelijk recente fase van de nationale intellectuele ontwikkeling:

In Nederland is in de jaren zeventig binnen het vak taalbeheersing het begrip "topische vragen" ingevoerd als een kenmerkende eigenschap van de schrijfprocedure door Willem Drop in het boek Taalbeheersing: handboek voor taalhantering uit 1974.
Inderdaad, uit 'Drop' heb ook ik het aangeleerd gekregen op het gym, nog vóór ik college kreeg van deze professor te Utrecht (slechte boektitel, trouwens; waarom niet Taalhantering: handboek voor taalbeheersing? Even onhandig).

Niet moeilijk is het dus om teleurgesteld te raken bij het lezen van de toeristisch instruerende tekst over de grondwatermeter, die zo monter begint... Zeven eenvoudige (weliswaar enkele samengestelde) zinnen. En niet één die antwoord geeft op de inleidende vraag! En dan zwijg ik nog over de fouten die deze tekst tot een monstrum van redundantie maken. En nu we het toch over stijl hebben: 'Dat komt omdat [...].' Wanneer komen op het gebruik van die vercontamineerde constructie eens forse schrijfstraffen te staan?

woensdag, december 25, 2013

Academica LiteratuurPrijs

Dat was op het uiterst laatste nippertje van de valreep: ik heb, als lid van de quintale vakjury, nog net voor kerst de mij toegewezen porties kandidaten voor de Academica Literatuurprijs 2014 verwerkt, een dertigtal literaire prozadebuten tot me laten komen, tot me genomen, de kans gegeven me te overrompelen, mee te slepen, te ontroeren, uit mijn dak te laten gaan, aan te grijpen, te moveren, kortom alles te (laten) doen wat een goed, mooi, gaar stuk proza zou moeten kunnen.

Niet dat die tijdslimiet een officiële was, wel een praktische, met het oog op het eerstvolgende juryberaad anno 2014, zeer binnenkort. Gelukt, gehaald, geslaagd.

Pas bij de laatste, finale administratieve handelingen vanavond, het afvinken van de leeslijst, zag ik dat de prijs inmiddels ook getooid is met een heuse afko: ALP. Ik geloof niet dat die openbaar wordt ingezet; 't is maar een handigheidje voor intern gebruik. En te gebruiken als metafoor voor de stapel kandidaten: alpineus.

Studeerkamerbelagend is die toren inmiddels. Tijd voor beraad inderdaad. En dan slechten die berg, reduceren tot topniveau. Exit laagland. Topsport ver boven de boomgrens is dat. Zonder sherpa's (nee, dat is niet waar: DordtLiterair sherpaat heel wat). Waar de lucht ijl wordt. Spannend en eervol.

Ik hoop dat er opnieuw een Buwalda tussen zit, een Menkveld, of een Keller, om me tot de laatste jaren te beperken, een Hendrix, Van Gerrewey, een Huisden, Nieuwenhuis, een Hondius, Lievers, Pefko of Vercauteren.

Dat is maar retoriek, natuurlijk. Ik weet dat al wel wat betreft die dertig die ik las. Maar: dat ga ik hier en nu nog niet verklappen. Al was het maar omdat Casper, Anna, Arjan en Kees nog tientallen andere debuten lazen. Ik laat me graag verrassen.

zondag, december 08, 2013

Fixie

Achter ons huis reed een intercity. Er is veel thuiskomst aan het eind van de dag, in de kleine stad op het eiland. Intussen gloeide de zon steeds onheilspellend aan en uit. Ik tuur naar een rijtje huizen dat ik meen te herkennen, opvallend scheef als ze in het water staan.

Na dit indrukwekkende gezicht, dat toch geen indruk nalaat omdat het te beweeglijk is, verliest de rest van zijn lijf snel contour in de beslagen spiegel en wrijven met een handdoek helpt nauwelijks. Toen hij brullend klaargekomen was zag hij een geamuseerd lachje over haar lippen trekken en dat bleef daar zitten toen hij haar omrolde zodat hij boven lag.

We zagen elkaar te weinig. Wiesjes vader mindert vaart tot ze stilstaan. Gids ja, ik was hem steeds gevolgd en had niet op de route gelet. Hoe wil je dat ik je noem, vroeg ik hem. Voor wie verder gaat of er vandaan komt is er nog Nadorp, een migrantenstadje volgepakt met stijf aaneengesloten woningpartijen. 'Verder nog iets van uw dienst.'

Heen en weer gekaatst. Je mocht er spitten in de tuin en bomen rooien. Nieuwe boeken lees ik niet, ik herlees alleen maar.
'En geef me nu eens een hand,' merkte ik op. Verbeeld je! Daar ben ik op eens aangewezen als de erfgenaam van een kolossaal vermogen. Er waren grote centrale punten. Zij bleef bij haar patroon, alleen sprak zij tegen hem geen woord meer.

Op dit punt werd mijn vermoeden zekerheid: iemand heeft enorm huisgehouden in mijn boekenkast - wellicht ik zelf, al dacht ik dat ik meer eerbied had voor het alfabet. Tot hier heb ik de eerste romans en verhalenbundels uit de kast genomen, alfabetisch op auteursachternaam en binnen elk oeuvre chronologisch op het jaar van de eerste druk. Van het eerste boek nam ik de eerste zin over, van het tweede de tweede, en zo verder. Niets aangepast, alleen soms een nieuwe alinea begonnen. Maar toen pas zag ik in de kast nog Bakker staan, en Boon, terwijl ik al bij Bordewijk was.

Een mooi idioot eindpunt voor een idioot experiment. Tevens een goed startpunt voor een tweede proefwerk: een gedicht op deze wijze verzamelen (kijken of dat wat beters oplevert dan het jongstleden sinterklaasgerijm).

Het zanduur van de dood
Van mijne blinde vensterruit -
Verliefde feestgenooten!
Een zacht getrappel op den doffen grond.

Ik wou dat 'k groote vleugels vond
hij trekt zich voren over de veren
Moedertijd luidt wijd en zijd.
de tafel vol kaarten en dadels,

die het niets
waar muziek over gaat: er is andere muziek, nu nog ver weg,
zo zonder kleren aan zijn wij te jong
naast, kijk, dit lieve hertje van kristal.

werd vanbinnen het raam omhooggeschoven
Liever een kamer met uitzicht, op graven desnoods.

En daarmee, lieve lezer, zijn de veertien regels van het composietsonnet gevuld. Ik heb alleen losse bundels gebruikt, met dien verstande dat ik van auteurs wier werk verzameld is in één band, de losse werken opgedoekt of opgezolderd heb. Dat verklaart wellicht de hiaten.

vrijdag, november 22, 2013

Hyper de hype hoera! De overtreffende trap van Stoner

Bij een couranttweet over de tweede roman van Williams die nu in het Nederlands wordt uitgegeven moest ik al lachen: Butcher's Cross zou 'nog meeslepender' zijn dan Stoner. Een mededeling van het kaliber: Nog hardere seks in Voskuils postume novelle Nicolien goes naughty!

Wat een bericht, net een dag nadat Monty Python zijn come back bekend heeft gemaakt! Een heel goede pastiche.

Maar toen ik de frontpagina van NRC-boeken en/of -cultuur zag, was mijn tijdelijk van gezinsleden ontdane Stichtse rijtjeshuis te klein om de hilarische hoestbui te bevatten. Het dak ging er metaforisch af toen ik las dat de tweede Williams nog 'Spannender' (in Telegraaf-grote vetletters) zou zijn 'dan "Stoner"'.

In de recensie schrijft de dienstdoende criticus (en hier twijfel ik tussen: echter, en: dan ook) dit: 'Butcher's Crossing is Moby-Dick in het Wilde Westen, waarbij de rol van de witte walvis wordt gespeeld door vijfduizend wilde bizons.'

En dat moet ik anno honderdweeënzestig jaren ná Melville's magnum opus met droge ogen als een regelrechte loftuiting consumeren?

Maar de spanning is nog niet eens Williams' unique selling point volgens de recensent. Nee, let op: 'Dat je het boek zo moeilijk kunt wegleggen, komt vooral door de manier waarop Williams zijn verhaal vertelt.' Ja, da's waar, dan geef ik mij onmiddellijk gewonnen, en al helemaal als het daarbij ook nog gaat om een 'tergende traagheid'.

Nee, nee, nog niet afhaken: 'Als je Butcher's Crossing uit hebt, weet je precies hoe je een bizon moet schieten en hoe je hem vervolgens van zijn huid moet ontdoen.'

Genoeg, genoeg, die andere twee kolommen van de recensie kunnen dit nooit overtreffen. Ik weet wat me te doen staat. Toch knap, hoe iemand twee tegengestelde recensies kan schrijven met één tekst.

woensdag, november 20, 2013

Meer meuk!

Vertel ik, met nauw verholen trots (noem het desnoods zelfoverschattende eigendunk) aan een collega van de opleiding Duits, werkzaam binnen het über-departement TLC waarin onze werkkringen sinds kort zijn samengevoegd (of ondergedompeld), dat ik voor het eerst sinds jaren (en na uiterlijk twee jaren onderricht te hebben genoten in de Duitse spraak, in de jaren zeventig der voorgaande eeuw) weer eens een Duitse roman, en geen dunne, in het Duits lees, vrijwillig en voor mijn genoegen - niet voor een interdisciplinair en al dan niet binnen-departementaal of juist domein-extern verdieppingspakketcollege -, repliceert deze, nadat ik de titel van het betreffende werk heb genoemd, met een gortdroog: 'Oh nee, hè?! En, de hoeveelste druk lees jij inmiddels? Ik begin er niet aan!'

Enigszins geraakt, niet gekrenkt - nee, zo gaan wij echt niet met elkaar om - dacht ik terug aan de titel die ik ooit aan een lezing gaf: Meer meuk!

Vanwaar toch dat literatuurvorserlijk standaarddedain jegens literatuur die een breed publiek lijkt te bereiken? Ik lees bij wijle een (men leze hier nadrukkelijk: één) Heleen van Rooyen, een Kluun, een Koch, een Grunberg zelfs. Al was het maar bij wijze van averechtse verkenning. En je moet toch je vooroordeel af en toe proberen om te buigen naar een gefundeerd oordeel, zelfs zonder meteen een vakkundige belangstelling voor tegen- of volkscultuur te vijnzen? Ik las zelfs poëzie van Enquist vroeger, en deel één van die Potterdiarrhea, twee bladzijden Mak, de dikste roman van Siebelink, en drie hoofdstukken Voskuil. Wie verre reizen maakt, kan veel vertellen, wie veel verschillends leest, kan verder door zijn oordelen reizen. Hoop ik.

Ik lees overigens geen druk van Er ist wieder da, maar een e-versie (handig, want met een geïntegreerd woordenboek en dito encyclopedie). Vooralsnog niet tot mijn verdriet.

maandag, november 11, 2013

Kabaaltaal

NRC, op St. Maarten anno 2013: tussenkop:
Voor hun nieuwste cd ging niets Jack Barnetts fantasie te boven: een havik werd gehuurd om zijn gefladder op te nemen.
Uit de typografisch goed aangezette context (leuk, hoeveel je meer leest in een krant dan je alleen maar echt leest) blijkt in een oogwenk dat het gaat om het optreden van de Britse band These New Puritans o.l.v. genoemde Barnett op het Crossing Border-festival. Dus dat 'hun' geen referent heeft in die tussenkop, dat los je als krantenlezer wel op. Toch bleef die maffe kop in m'n kop hangen.

En anders dan gewoonlijk wel het geval pleegt te zijn, is het geen malheur dat veroorzaakt is door de koppenwrijver (tot mijn stomme verbazing vind ik dit woord niet terug in Van Dale; bestaat het dan niet buiten mijn brein?) De brontekst, van de doorgaans goed formulerende Hester Carvallo, luidt:

Voor de negen nummers van hun nieuwste cd Fields Of Reeds (2013), ging niets Jack Barnetts fantasie te boven: een havik werd gehuurd om zijn gefladder op te nemen;
Dat is nog eens een scherp gesneden excerpt! Wat dat betreft een toptussenkop! Toch bleef die maffe kop in m'n kop hangen.

Nee, ik bedoel niet dat je eraan kunt denken dat die havik werd gehuurd om Jack Barnetts gefladder op te nemen, hoewel ik dat een hilarische en daarom alleen al de beste interpretatiemogelijkheid vind. En dat een havik, anders dan de arend, niet een gereputeerde hoogvlieger is, doet daar weinig aan af.

Nee, het is ook niet de geïmpliceerde onzin dat een creatief concept je eigen kunstenaarsfantasie te boven zou kunnen gaan. Ein musikalisches Opfer des Baron Von Münchhausen oder so etwas? why not?!

Of toch: alles bij elkaar, en dan de echte kop er bovenop:

Wat ik bedenk kan ik zelf niet spelen.
Blödsinn? Wellicht, want andersom net zo goed waar. Maar nu nog even terug naar het begin: hoe afgestompt moet je muzikale fantasie niet zijn om een havik te huren om het geluid van het gefladder van een havik op te nemen? Die kop bevat geen lof, maar haalt de bewonderde Barnett geheel onderuit. Tijd dat ik die cd eens ga beluisteren.

zondag, november 10, 2013

Afstand

Waarom weet ik niet, maar ik las in de Volkskrant van zaterdag 9/11 (terrorerror) Ranne Hovius' recensie van Anna Bentinck van Schoonhetens boek Karl Abraham - Freuds rots in de branding (Garant 2013). Die recensie begint met de beschrijving van de film Geheimnisse einer Seele van Georg Wilhelm Pabst uit 1926.
Deze zwijgende film, die met zijn fraai verfilmde dromen een kassucces werd, had de educatieve inzet het volk te laten kennismaken met de zegeningen van de psychoanalyse. Twee gerenommeerde Berlijnse psychoanalytici, Karl Abraham [1877-1925] en Hans Sachs [1881–1947], tekenden voor de wetenschappelijke onderbouwing.
Dat schoot evenwel de Weense psychoanalytici in het verkeerde keelgat: dachten die Berliner werkelijk 'dat ze met een platvloers filmverhaaltje het gecompliceerde proces van een waarachtige psychoanalyse konden demonstreren?' Welaan, oordeel zelf, het kan dank zij Youtube.

Wat ik niet snap: een roman als Eva van Carry van Bruggen verscheen net een jaartje na die film. Toevallig heb ik de roman net weer fragmentarisch herlezen in verband met het college Moderne Tijd. Misschien is ze niet echt meer van deze tijd (figuurlijk, bedoel ik dat nu), maar er is niet veel voor nodig op het vlak van de welwillende suspensie van ongeloof, om toch van deze Bildungsroman te kunnen genieten. Oordeel zelf, het kan dank zij de DBNL.

Maar die film van Pabst... Dat die uit ongeveer dezelfde tijd stamt?! Wat een gekneuter en gestuntel. En naar mate het verhaaltje meer in de buurt van de feitelijke psychoanalyse komt, inclusief de kennelijk onvermijdelijke ligbank, des te armzaliger blijkt het medium van de zwijgende film. Psychoanalyse gaat immers met woorden, met gesproken tekst.

Hoe overbrug je als 21ste-eeuwse kijker en lezer, die digitaal met een handomdraai films en romans van bijna een eeuw oud in huis haalt, een dergelijke historische afstand? En zou Van Bruggen de film hebben gezien? En wat vond zij er toen van?

donderdag, november 07, 2013

Tweede handsje-II Jonge most-appendix

Als ik het wel heb bevat Jonge most 120 gedichten van achtendertig dichters (zie de Nederlandse Poëzie Encyclopedie als je wilt weten wie die dichters zijn). Om de veronderstelling weg te nemen dat de bloemlezer louter dichters zou hebben gekozen uit de stal van opdrachtgever Van Dishoeck, heb ik de bronnen van de opgenomen gedichten geïnventariseerd (leve de kwantificerende letterkunde). De gedichten blijken te zijn ontleend aan tijdschriften en aan bundels van uiteenlopende uitgeverijen: 45 gedichten uit 7 tijdschriften en 75 gedichten uit bundels van 19 uitgeverijen. Hier komen de feiten (tijdschrift respectievelijk uitgeverij: aantal gedichten)
Tijdschriften
De vrije bladen: 17 (zowel het tijdschrift als de cahiers)
Forum: 15
Helikon: 6
Het getij: 4
Groot Nederland: 1
De gemeenschap: 1
De Hollandsche revue: 1

Uitgeverijen
Van Dishoeck: 14
Stols: 11
De gemeenschap: 8
Querido: 6
Boosten & Stols: 5
Folemprise: 5
Palladium: 5
Hijman, Stenfert Kroese en v. d. Zande: 4
Van Munster's Uitgevers Maatschappij: 3
De gulden ster: 2
De spieghel: 2
Ploegsma: 2
Strengholt: 2
C.M.B. Dixon & Co: 1
De Waelburgh: 1
Eben Haëzer: 1
Enschede: 1
Nijgh en Van Ditmar: 1
P.N. van Kampen: 1

Men zou vervolgens ook nog moeten kijken naar welke uitgeverij welk(e) tijdschrift(en) uitgeeft (De gemeenschap geeft De gemeenschap uit, Stols Helikon, en zo verder), maar niet alle tijdschriften zijn daar duidelijk in (noch bibliotheekcatalogi), noch blijven alle gedurende de betreffende twee decennia bij dezelfde uitgeverij, zo min als de dichters dat deden en doen.
Van Dishoeck en Stols springen er met 14 en 11 gedichten bovenuit; Stols nog meer als de gedichten uit bundels van Boosten en Stols en die uit Helikon erbij worden geteld; die komt dan op 22.
Mij heugt een artikel in het eerste nummer van Nederlandse letterkunde (1996, p. 2-29) waarin Wiljan van den Akker en Gillis Dorleijn schrijven 'Over de geschiedschrijving van de moderne Nederlandse poëzie' tussen 1901 en 1940 en waarin ze meer in het bijzonder 'problemen, getallen en suggesties' aandragen. De nummers 1 en 2 van de top 26 van meest poëzie publicerende uitgeverijen (minimaal zestien bundels tussen 1901 en 1940) zijn C.A.J. van Dishoeck en A.A.M. Stols (met 175 respectievelijk meer dan 126 bundels). Ze zitten er wel eens verder naast, die literatuurhistorici.

woensdag, november 06, 2013

Tweede handsje-II Jonge most

Bij een culturele zondagnamiddag-wandeling dwaalde ik door een antiquariaat aan de Doesburgse Gasthuisstraat en zag op een paar planken met literatuurgeschiedenis de naam van G.H. 's-Gravesande op de rug van een bruin, wat smoezelig boekje, getiteld: Jonge most. Kennelijk een bloemlezing, want tussen titel en naam staat: 'verzameld door'.
Uitgever is de respectabele N.V. Uitg. Mij. C.A.J. van Dishoeck te Bussum. Het betreft hier een deel uit de mij voordien geheel onbekende serie serie 'Dishoeckjes'. Zo melig krijg je het tegenwoordig nog maar zelden. Op het omslagplaatje ligt er een boekje op het hoekje van een disje. Het is een serie tekstuitgaafjes en bloemlezinkjes die kennelijk niet specifiek zijn bedoeld voor het onderwijs, want dat soort uitgaven wordt op het achterplat in een fondsopsomming apart vermeld.

Jonge most is een dikkerd, een dubbelnummer: 58-59. Achterop staat aangegeven dat het niet slechts drie of viel vel druks bevat, zoals de meeste andere, maar acht. De prijs ervan was dan ook niet slechts 40 à 60, maar liefst 90 cent (guldencent, dat is, en volgens de omrekenaar op de site van het IISG zou die prijs nu ruim € 8,50 bedragen). Komt trouwens nooit meer voor, tegenwoordig: het aangeven van de omvang van een boek in het aantal vellen. In dit geval wisten ze 120 bladzijden op acht vellen te drukken (de katernen, behalve het eerste, zijn op de eerste pagina links onderaan genummerd). En inderdaad: dat klopt niet; het laatste katern beslaat slechts acht bladzijden, een half vel. De oplichters!

De 'Inleiding' is gedateerd op 'April 1936'; in dat jaar zal het boekje ook wel uitgegeven zijn (de catalogus van de KB denkt dat ook). Het papieren kaft van het boekje is gevlekt en gescheurd op de rug, waarvan het bovendien begint los te laten. Een ander exemplaar was iets mooier en iets duurder; een derde exemplaar was er slechter aan toe dan dit maar kostte eveneens slechts € 2,-. Er blijkt ook nog een gebonden uitgave van het werk te zijn; een afbeelding staat in de Nederlandse Poëzie Encyclopedie, de enige treffer toen ik 'jonge most' googlede. Nogal wiedus: ooit wel eens van oude most gehoord?

De ondertitel is saaier, maar iets beter en interessant: bloemlezing uit de gedichten van medewerkers aan Het getij, De vrije bladen en Forum. Een rijtje tijdschriften dat anno heden in literair-historische overzichten nog steeds als rijtje wordt opgevoerd, blijkt reeds in zijn eigen tijd ook al een 'officieel' of gecanoniseerd rijtje te zijn geweest. Ze zitten er wel eens verder naast, die literatuurhistorici.

De inleiding weerspreekt wat ik dacht te kunnen afleiden uit de tekst op het achterplat. 's-Gravesande begint namelijk met deze mededeling:

Bij het samenstellen van een bloemlezing voor de school is men verplicht ook andere dan uitsluitend aesthetische eisen voorop te stellen bij de keuze. Wat uit een aesthetisch oogpunt volkomen te verantwoorden is kan soms voor leerlingen ongeschikt zijn.
Dit betekent, geloof ik, dat er rommel in opgenomen is, maar dat dat dan is gedaan om wille van het onderwijskundige doel. Moeilijk om dan nog vol te houden dat het onderwijs vroeger beter was.

Een tweede beperking van des bloemlezers vrije keuze is het volgende:

De bloemlezing moest samengesteld worden uit de tijdschriften Het Getij (1916-1924), De Vrije Bladen (1924-1931) en Forum (1932-1935) en de dichters, die zich om die maandbladen hadden gegroepeerd.
Van wie dat moest, zegt 's-Gravesande er niet bij. Wel legt hij uit dat sommige dichters die hij in deze bloemlezing zou hebben kunnen opnemen, er niet in heeft opgenomen, omdat ze al waren opgenomen in andere deeltjes van de reeks. En met dichters als J.C. Bloem, A. Roland Holst en M. Nijhoff 'was het weer een ander geval'. Lekker vaag; welk geval, zegt hij er niet bij; de genoemde drie dichters zijn wel in deze bloemlezing vertegenwoordigd.

Ik kocht het boekje omdat ik er twee gedichten van Achterberg in aantrof en omdat ik toen nog dacht dat het geen schoolbloemlezing was. Schoolbloemlezingen zijn in zoverre vreemde dingen, dat bloemlezers er maar van alles in kunnen gooien en dat auteurs daar lang niet altijd bemoeienis mee kunnen hebben. Echte bloemlezingen bevatten als het goed is alleen geautoriseerde tekstversies en voor opname van gedichten moet de bloemgeleesde auteur door de bloemlezer of diens uitgever dan ook betaald worden. Ik kende Jonge most niet, ook niet als een van de bronnen van R.L.K. Fokkema's Varianten bij Achterberg (Amsterdam 1973) en de historisch-kritische editie van Achterbergs Gedichten, bezorgd door P.G. de Bruijn (Den Haag 2000), twee rotsen in de variantenbranding. Dat klopt dus, want daarin zijn alleen geautoriseerde versies verwerkt.

Van Achterberg zijn in Jonge most de gedichten 'Moordballade' en 'De slag' opgenomen. De jeugd moest dus verkwikt worden met regels als 'O gij die ik had omgebracht' en 'uwen lach vond / den dood in mijnen lach' en 'mijn handen, waar uw bloed afdroop' zoals ze in De vrije bladen hadden gestaan (augustus-september 1930). Maar 's-Gravesande citeert Achterberg niet uit De vrije bladen, hij citeert Achterberg uit diens officiële debuutbundel Afvaart, waarin 'Moordballade' in dezelfde versie is opgenomen. Die bundel verscheen in 1931 bij C.A.J. van Dishoeck te Bussum. Daaruit citeert 's-Gravesande ook 'De slag', dat evenwel niet in De vrije bladen voorgepubliceerd werd, noch in Het getij noch in Forum, maar in Opwaartsche wegen (1 februari 1930).

Het lijkt erop dat 's-Gravesande hier een kleine inlijfpoging onderneemt: hij trekt Achterberg het 'neutrale' kamp in. Hij heeft, zo zegt hij in de inleiding, sommige dichters, die hij in deze bloemlezing zouden hebben kunnen opnemen, er niet in heeft opgenomen, omdat ze al zijn opgenomen in andere deeltjes van de reeks. Twee van die andere deeltjes zijn samengesteld door J. van Ham en omvatten Protestantse poëzie na '80 (deeltjes 54 en 55 van drie respectievelijk vier vel druks voor een bedrag van 40 respectievelijk 50 cent; wanneer ze verschenen, weet ik niet, mogelijk ook in 1936; ik heb ze nog niet gevonden en ingezien).

Opwaartsche wegen was wat je noemt een blad voor en vol van protestantsche literatuur, en het was ook niet ongebruikelijk om Achterberg daartoe te rekenen. Het is niet zonder reden dat hij vertegenwoordigd is in Spectrum, een bloemlezing uit de poëzie van jong-protestantsche dichters, samengesteld door Bert Bakker, Barend de Goede en G. Kamphuis, die later datzelfde jaar 1936 verscheen bij uitgeverij Kok te Kampen. In datzelfde jaar neemt Jan H. Eekhout drie gedichten van Achterberg op in Werk; het boek der Jong-Protestantsche letterkunde (Den Haag, uitgeverij Daamen; zie het Schrijvers prentenboek 21 over Achterberg (Amsterdam-Den Haag 1981). Om maar iets te noemen.

Of de jonge dichter zelf zo welbewust voor een bepaald letterkundig en levenbeschouwelijk kader koos, kan met een gerust hart betwijfeld worden. Van de 51 gedichten die Achterbergs officiële debuutbundel Afvaart rijk is, zijn er 35 in tijdschriften voorgepubliceerd; opgesomd (op basis van de registratie in de historisch-kritische editie Gedichten, aan welk boek ik ook de [nummering] ontleen:
7 stuks [61, 62, 63, 64, 65, 66, 67] in Opwaartsche wegen,
5 [40, 46, 48, 50, 90] in Elsevier's geïllustreerd maandschrift,
6 [49, 55, 60, 86, 102, 103] in De gids,
2 [57, 101] in De gemeenschap,
7 [99, 100, 110, 112, 119, 120, 121] in De vrije bladen,
2 [115, 116] in Balans,
6 [71, 91, 93, 94, 95, 98] in Groot Nederland, en slechts
16 [87, 88, 104, 105, 106, 107, 108, 109, 117, 118, 122, 123, 124, 127, 128, 129] niet.

Als het maar gedrukt wordt, lijkt de strategie; zelfs de katholieken werden niet gemeden. In een brief van 11 april 1929 aan zijn mentor Roel Houwink spreekt Achterberg zelfs van 'een campagne' tegen de tijdschriften. Gedichten die hij van het ene tijdschrift terugkreeg, bood hij domweg ter publicatie aan in (weer) een ander. Hij had haast. Zo jong was zijn most niet meer. De boel was al aardig aan het gisten. Van 'Moordballade', zo leer ik uit Gedichten (deel 3a), heeft Achterberg op 20 november 1928 al een versie aan Houwink gestuurd, terwijl hij al een nog oudere versie aan De gids had gestuurd. Na publicatie van het gedicht in De vrije bladen en in Afvaart, heeft hij er (weer) wijzigingen in aangebracht. Tweede gisting.

vrijdag, oktober 25, 2013

Tweedehandsje

Soms loop je, snuffelend in antiquariaten of tweedehandsboekwinkels, maar dat kan alleen in het echt, niet digitaal, onverwacht tegen een bijzonder exemplaar van een betrekkelijk bijzonder boek aan, meer in het bijzonder: een bijzonder omslag. In dit geval de eerste druk van de beroemde roman van Hermans: Ik heb altijd gelijk, Amsterdam, Van Oorschot, 1951. Licht roodbruin linnen met geel-zwart stofomslag. 292 p. 1e druk.

Bij een Haags antiquariaat zag ik dat een gewoon exemplaar met enkele scheurtjes van luttele millimeters aan de randen van het stofomslag € 95,- moet doen. Hier is de beschadiging wat ingrijpender, helaas. Er zijn bandvarianten bekend in licht en donker roodbruin linnen, en in zwart linnen, maar dit lijkt me een uniek geval. Wat een toeval, drie dagen voor het eerste deel van Otterspeers grote Hermans-biografie De mislukkingskunstenaar verschijnt.

woensdag, oktober 23, 2013

Dickinson on Line

The Grass so little has
to do -
A Sphere of simple Green -
With only Butterflies to
brood
And Bees to entertain -

De manuscripten van Emily Dickinson staan on line op het Emily Dickinson Archive. En wel op een zeer toegankelijke wijze, denk ik, na een heel erg korte verkenning. En dat vind ik knap, een zo toegankelijke webstek voor werk van één dichteres, toegankelijk dan als in: 'open-access', zowel als in: makkelijk raadpleegbaar. Jammer dat ze geen mooi handschrift had.

En behalve manuscripten en afschriften (met metadata) bekijken, kan je ook 'Browse alphabetically through more than 9,000 words in Dickinson’s poetry, as defined in her dictionary, Webster's 1844 American Dictionary of the English Language.'

Leuk, want ik heb niet zo lang geleden een editie van haar gedichten gekocht, maar nog nauwelijks gelezen. Kan ik nu mooi gaan vergelijken: wat zij schreef (op een gegeven moment wil je dat toch weten: hoe het 'eigenlijk' op papier heeft gestaan, ooit) en wat men er postuum editerend van maakte.

Jammer, heb nu geen tijd om er verder in te bladeren; ben even bezet(en) door colleges Nederlandse letteren, Van Bilderdijk tot Bouazza en daarnaast Marsman.

woensdag, oktober 16, 2013

Bij vlagen hilarisch-II

Sapristi, het gaat weer lekker met de inzendingen voor de Academica Literatuurprijs 2014. Hoe meer bladeren er van de bomen en hoe meer Utrechtse kademuren er in het water vallen, zo hoger groeit de stapel kandidaten. Dat wordt weer een nieuw rondje tegen de klippen op lezen.

Vele varkens, om eens uit een ander metaforenvat te tappen, maken de spoeling dun, en dat kan betekenen dat je als selecteur, want dat ben je ook, als lid van de vakjury ('vak' is de sterk geëlideerde vorm van 'varken'), probeert de varkentjes in een vroeg stadium te wassen (waar las ik laatst deze: 'When you fight with a pig you both get dirty - but the pig likes it'? Slaat nergens op in dit verband, trouwens). Het snel verkennen van het omslag, voor- en achterplat, is een vlotte eerste selectie-methode. Niet dat daarmee het pleit al beslecht is, maar je kan op basis van die gegevens al denken: 'Ah, leeslint, dat lijkt me wel wat!' maar ook: 'Oh, prullenbak, nee toch?'

Kom ik me nu een voorkant tegen met een plaatje van een waslijn, waaraan een rode peper naast een bikinitopje is geknijperd. Daarbij zakt mij de spreekwoordelijke broek al af. En blijkens de achterplattekst heb ik, houd u vast, 'een tragikomische en [jawel, daar is-ie weer:] bij vlagen hilarische roman' in handen. Ik sla - maar dit gelooft niemand, zo erg is het - het boek op een willekeurige plek open en lees: '"Hm," fluistert Danny terug glurend in mijn decolleté.' Oehlala, de schalk! En had-ie nou maar eens 'Hm' geroepen...

Achterop een ander debuut lees ik over een vrouw die 'de liefde voor haar man en twee zonen [deelt] met de liefde voor haar minnaar,van wie ze een ongeboren kind draagt.' Wow, denk ik dan: vertel me ook over die andere zwangerschappen! Hoe gingen die dan? En: is gedeelde liefde dubbele liefde? Of wordt er hier een andere uitdrukking naar de gallemiezen geholpen?

Maar serieus nu: ik zal deze boeken zo veel als me gegeven is met open oog (letterlijk, maar dat spreekt voor zich, en vooral figuurlijk) en een ontvankelijk gemoed lezen, maar ik zou des niet tegenstaande de jongens en meisjes van de uitgeverijen willen vragen om te proberen met hun wervende teksten dat gemoed van de lezer ietsjes meer te bespelen in het voordeel van de schrijver. We hebben het hier immers over een vorm van captatio benevolentiae.

dinsdag, oktober 15, 2013

Meerenkelvoud

Vaak hoor ik tv-journaalsgewijs formuleringen waarvan ik denk dat er iets vreemds aan is en waarvan ik dan weer vergeet een notitie te maken - citaat plus bronvermelding - mede doordat ik toch ook twijfel of er wel echt iets aan schort. Ja, ik vertrouw mijn intuïtie niet. Maar nu kom ik er al weer een tegen, wel is waar in een Engels talige tekst (die me daarneven doet twijfelen aan het wel en wee van het aan elkaar schrijven vanwoorden), maar het is wel een goed voorbeeld. Komt-ie:

Be it as it may, the artist did not intervene. [He] did not try to direct the audience, or put them in their place.

Een Nederlandse evenknie is iets als:

Het kabinet is gedwongen maatregelen te treffen. Ze moeten er eerst alleen nog even over onderhandelen.

Het tweede citaat is er geen, maar een eigen brouwsel, distillaat van wat ik steeds weer hoor of denk te horen; het eerste is afkomstig uit een essay van Erik Hagoort, Good Intentions. Judging the Art of Encounter. (2005)

In beide gaat het eerst met behulp van een enkelvoudig zelfstandignaamwoord over een enkelvoudig begrip, maar een collectivum (zo heet dat toch?), en daar wordt dan in het vervolg aan gerefereerd als was het een meervoudig woord, een aanduiding van een meer- of veelvoud van individuen.

(Sodeju, ik tik dit op een appeltabletje - geen medicijn, maar apparaat -, en daarmee is het een crime om tussen verschillende bronnen heen en weer te knippen en te plakken, laat staan om cursieven in een blogpost aan te brengen, maar ik loop er nu niet voor naar boven, des desktops oord, om een en ander alsnog aan te brengen; en de betreffende URL ga ik nu dan ook evenmin overtikken).

Kloppen, zo vraag ik mij af, dergelijke uitdrukkingen nou wel of nou net niet? Sprenkel ik taalzout op gebruiksslakken?

maandag, oktober 07, 2013

Klaas Knot kloont Kloos

De DNB-baas bedrijft voor de camera van het NOS-journaal economie met zijn 'gevoel' (zie het 20:00-uurjournaal van deze dag, op 4.12 min.) (http://gemi.st/POW_00558403) (economics is the spontaneous overflow of powerful feelings) en waarschuwt: niet het economisch herstel in de knop breken. Zou des avonds hij soms wenen om oeconomisch herstel in de knop gebroken en voor het grote graaien reeds vergaan? Ach...
  1. cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/kloos/ween.html

vrijdag, oktober 04, 2013

Eliam Dickinspeare

To clover or to bee, that is the prairie.