In de kranten heette het dat ze "door het stof" was gegaan. Vroeger zei je gewoon dat iemand sorry had gezegd of z'n excuses had aangeboden, wanneer hij ergens spijt van betuigde, maar we leven in opgewonden tijden, dus las ik hier en daar zelfs dat Broekers-Knol "diep" door het stof was gegaan. Kennelijk niet gewoon een beetje halfgebukt schuifelend, maar tijgerend ofzo.
zaterdag, mei 08, 2021
Slijtagetaal
vrijdag, april 30, 2021
Zowel daarnaast als ook en nog -- Taalslijtage
Daarnaast is er ook nog een tweede beoordelaar.
En ik denk dat je daar ziet dat taal in het gebruik slijt en dat taalgebruikers in arren moede dan de boel gaan proberen op te lappen, bijvoorbeeld door er iets aan toe te voegen wat er eigenlijk al staat. Een typisch geval van redundantificatie.
De context van de hier geciteerde zin is de mededeling dat een student bij het maken van het eindwerkstuk een docent als begeleider heeft, die tevens de eerste beoordelaar is. Vervolgens moet er kennelijk ook iets worden gezegd over de (door 'eerste' al geïmpliceerde) tweede beoordelaar. Volstaan had kunnen worden met:
Daarnaast is er een tweede beoordelaar.
of
Er is ook een tweede beoordelaar.
of
Er is nog een beoordelaar.
Een eerste redundantificatiefase had wellicht al geleid tot:
Daarnaast is er nog een beoordelaar.
of
Daarnaast is er ook een tweede beoordelaar.
dan wel
Er is nog een tweede beoordelaar.
(die laatste optie suggereert evenwel dat er zelfs twee tweede beoordelaars zouden kunnen zijn; zo'n krommunicatie staat zelfs een versleten taal niet toe, hoop ik).
Maar toen de als verrijking bedoelde vormen van de eerste fase van redundantificatie op hun beurt ook versleten raakten, volgde waarschijnlijk een tweede redundantieficatiefase, leidend tot de eerste hier geciteerde formulering, als een Franse gans volgepropt met zowel Daarnaast als ook en nog.
Het is een kwestie van smaak, maar ik houd niet van pâté de foie gras en wacht met smart op een deredundantieficatieproces.
vrijdag, april 23, 2021
De zin (2)
Na jaren had ik mezelf uit het leven geknipt dat ik in de stad had geleid, zoals je een figuurtje uit een landschaps- of groepsfoto knipt. Onthutst over de schade die ik aan de foto had aangericht en nog niet goed wetend waar het uitgeknipte stukje terecht moest komen, leidde ik een provisorisch bestaan. Ik deed dat op een plek waar ik niemand kende, waar de straatnamen, beelden, geuren en gezichten vreemd waren, in een goedkoop in elkaar geflanste woning, waar ik mijn leven een poosje wilde parkeren.
Mooi beeld, dat jezelf (als het ware) uit een foto knippen. Vooral omdat Kinsky nauwkeurig aangeeft uit wat voor soort foto; een landschaps- of groepsfoto, wat wil zeggen: een foto met een nadrukkelijke positie ook voor omgeving, waarmee aangeduid is dat de mens niet zomaar een solitair wezen is. Mooi is ook dat meteen erna sde schade ter sprake komt die aan de foto wordt toegebracht. Maar van een ineenvloeien van verbeelding en werkelijkheid, zoals bij Smith, is geen sprake. Dat hoeft ook niet.
Maar de herhaling ‘geknipt’ - ‘knipt’ stoorde me, dus zocht ik de oorspronkelijke tekst op voor een wellicht betere vergelijking:
Ich hatte mich nach Jahren aus dem Leben, das ich in der Stadt geführt hatte, herausgeschnitten wie einen Schnipsel aus einem Landschafts- oder Gruppenfoto. Betreten über den angerichteten Schaden an dem Bild, das ich hinterlassen hatte, und ungewiss, wohin es diesen herausgeschnittenen Teil verschlagen sollte, lebte ich provisorisch. An einem Ort, wo ich niemanden in der Nachbarschaft kannte, wo mir die Straßennamen, die Ausblicke, die Gerüche und Gesichter unbekannt waren, in einer billig zurechtgezimmerten Wohnung, in der ich mein Leben vorübergehend abstellen wollte.
Ich hatte mich aus dem Leben herausgeschnitten,
Maar mijn kennis van het Duits staat me in de weg bij het voortborduren... Waar zet ik ‘nach Jahren’ en hoe knoop ik ‘das ich in der Stadt geführt hatte’ eraan vast, en vervolgens ‘wie einen Schnipsel aus einem Landschafts- oder Gruppenfoto’?
En dan de tweede zin: zie eens waar de kern toch staat... Maar ja, je moet er ook niet aan denken dat die zin zo begon: ‘Ich lebte provisorisch [...]’. Er is geen ‘amble’ van te breien.
De derde zin is in de vertaling met een zielloos noodverband (‘Ik deed dat’) tot een volledige zin verschlimmbessert. Het middel is niet beter dan de kwaal. Kinsky had hem eenvoudig kunnen koppelen aan de voorgaande zin. In plaats van: ‘provisorisch. Am’, had er kunnen staan: ‘provisorisch am’. Dan was de kern van dat geheel (‘lebte ich provisorisch’) mooi gebed geweest in twee oeverloze bepalingen. Seneca zou zich weliswaar in zijn graf omkeren, maar Ciceros ‘Latinate style’ heeft ook bekoorlijke aspecten, zeker waar het om inbedding gaat.
De vraag is nu of hier een verschil in stijl aan het licht komt tussen twee schrijfsters, of tussen twee talen.
De zin (1)
Die andere, modernere Engelse zinsstructuur, ook wel de Senecaanse kuiergang geheten, lijkt me kenmerkend voor de stijl van Smith, zowel wat betreft de bouw van individuele zinnen als die van grotere eenheden. Ik laat eerst Moran even aan het woord, om uit te leggen wat dat syntactisch wandelen inhoudt, en wat eraan voorafging (p. 137-138):
[...] the 'Senecan amble'. The Earl of Shaftesbury invented this term for the looser sentence shapes arising in the seventeenth century as English tried to free itself from a Latinate style. The Latinate ideal was the periodic sentence, the one Cicero used to keep an audience on edge, stacking clause on clause in pursuit of the main verb, which arrived like a punchline just before the full stop.
Milton imposed this Latin syntax even on his poetry. Paradise Lost turns the simple, additive style of Genesis into long sentences laden with clauses nesting inside each other like Russian dolls. The poem's first verb, sing, appears only in line six, its first full stop ten lines later. Milton's prose sentences, pit-propped with subordinating whereins and whereofs, often run to over a hundred words. When reading him you just have to dive in, hold your breathe and, with each full stop, come up for air.
The Senecan amble, by contrast, took after Seneca's conversational, self-questing prose. It was a style suited to the early modern world – a fluid, curiosity driven place in which many things once thought to be shaped by God or fate were now seen to be shaped by human whim. The Senecan amble tries to honour the liquid reality of this world and the ad hoc way we give it a shape in our heads. It begins the sentence by stating the main idea and then embroiders and particularizes it, sometimes changing its mind midway and starting anew.
In plaats van kuieren, kan je wat Smith doet misschien breien of borduren noemen, en ook: associëren, of van-het-een-komt-het-anderen (als dat een werkwoord kan zijn). 'Telgang' zag ik ook als mogelijke vertaling, maar dat doet mij, hippisch onbenul, te veel denken aan strenge dressuur en straffe oefening. Overigens is 'the simple additive style of Genesis', Morans eigen woorden dus, eveneens een goede benaming mits we daarbij niet denken aan een Engelse band maar aan een bijbelboek.
De voorgaande zin is geen goed kuiervoorbeeld omdat de constituenten van het gezegde erin uiteen gereten zijn en het begin niet de evidente hoofdgedachte bevat. Hieruit kunnen we misschien afleiden dat die eerder genoemde 'omslag' beter maar met een stevige korrel zout kan worden genomen, want louter Senecaans schrijven lijkt net zo onmogelijk als zuiver Ciceroësk pennen.
Ik citeer de opening van There but for the en zal daarna een en ander toelichten:
The fact is, imagine a man sitting on an exercise bike in a spare room. He's a pretty ordinary man except that across his eyes and also across his mouth it looks like he's wearing letterbox flaps. Look closer and his eyes and mouth are both separately covered by little grey rectangles. They're like the censorship strips that newspapers and magazines would put across people's eyes in the old days before they could digitally fuzz up or pixellate a face to block the identity of the person whose face it is.
De mededeling of de inhoud van de eerste zin is betrekkelijk bizar, of prachtig paradoxaal, en zet het werkelijkheidsgehalte van alles wat er nog op volgt op lucide wijze op losse schroeven. Niets is onmogelijk in deze roman (dat is evenwel niet specifiek eigen aan fictie; kijk maar om je heen in de werkelijkheid en zie wat daar aan de lopende band aan onvoorstelbaars gebeurt; de kranten staan er dagelijks vol van, voor wie het zelf niet ziet). Maar de structuur van de eerste zin is zo simpel als 1+1=2: 'The fact is [...].'
Hoe kernachtig kan een zinsstructuur kan zijn? Okay, dat is wat te simpel gezegd, want na de eerste persoonsvorm volgt toch nog wel een tweede, een tweede zin zelfs; strikt genomen een ingebedde zin, een zinsdeelzin. Maar de komma en de bijzonder doorzichtige structuur van de hoofdzin zorgen ervoor dat het geheel toch erg eenvoudig is.
Het tweede deel van de eerste zin lijkt me een voorbeeld van syntactisch kuieren. 'Imagine a man' is net zo eenvoudig, doorzichtig en begrijpelijk als 'The fact is [...]'. Een pronte kernzin. Een korte bewering, een opdracht, een bevel haast, nee: een uitnodiging of een captatio benevolentiae. Je wordt als lezer geactiveerd. Na de kern wordt het object nader gepreciseerd of bepaald door 'sitting', en dat wordt preciezer gemaakt met 'on an exercise bike', en tenslotte volgt van dat laatst toegevoegde element nog de plaatsbepaling: 'in a spare room.'
Ook de volgende zin werpt voor het goede begrip geen hindernissen op. 'He' verwijst betrekkelijk eenduidig naar diezelfde, eerder genoemde man; en hij wordt nader aangeduid als zijnde 'a pretty ordinary man'.
En dan komt er iets wat eveneens tekenend is voor Smiths stijl: ze gebruikt een verbindingswoord, een voegwoord of connectief, maar het is een connectief dat per se paradoxaal is, want het wijst op een tegenstellend verband. 'But' realiseert een vervolg van de zin, maar is tegelijk een soort zijpad dat afleidt van de eerder gemarkeerde doorgaande weg van de betekenis. Deze man, staat er, is behoorlijk doorsnee, afgezien dan van het gegeven dat hij volkomen excentrisch is. De lezer treft weer een paradox aan, zoals er ook in de eerste woorden van deze roman een werd geformuleerd: 'The fact is: imagine a man' - feit versus verbeelding. Maar in de tweede zin wordt de paradox gevormd door de combinatie van doorsnee of gewoon en excentrisch of ongewoon.
De zinnen die daarop volgen, zijn wat structuur betreft weer eenvoudig, maar inhoudelijk slepen ze de lezer steeds dieper in de on-mogelijkheid of de surrealiteit: de beschrijving van de onvoorstelbare driedimensionale uitvoering van iets wat op papier en op het computerscherm wel reëel is.
Leep is de kwalitatieve sprong van 'imagine' naar 'look closer', van de uitnodiging je iets voor te stellen wat er niet echt is naar de aansporing datzelfde nog beter in ogenschouw te nemen, als bestond het. Eenzelfde sprong is er tussen [across his eyes and also across his mouth] 'it looks like' en [his eyes and mouth] 'are', een sprong van verbeelding naar feit.
Deze man, die nog geen naam heeft, doet in het echt (wat dat ook is in deze context) wat alleen op papier of op een scherm kan: zijn identiteit onkenbaar maken met balkjes. Hij is in het verhaal een man die zich uit de sociale wereld terugtrekt, als eenling verdwijnt in een lege kamer in het huis van zijn gastheer en gastvrouw. Zijn bestaan is er voor de anderen niet minder intrigerend door geworden; het krijgt steeds meer substantie in de achtereenvolgende hoofdstukken waarin steeds een ander personage de centrale focalisator is en hij, die man, nog steeds het object.
woensdag, april 07, 2021
Enkelmeerfout
De lading bestaat onder meer uit een aantal schepen, die voor een deel van het dek zijn geslagen.
Dat is gek: de lading van het zwaar slagzij makende vrachtschip zou onder meer bestaan uit schepen die geen deel meer uitmaken van de lading ten gevolge van die hoge golven (en misschien doordat ze niet goed waren vastgesjord, dat weet ik niet).
Had er in de geciteerde zin dan niet 'bestaat' moeten staan maar 'bestond'? Nee, want de lading bestond aanvankelijk uit een (groot) aantal schepen, denk ik, en ze bestaat nu nog maar uit een (kleiner) aantal schepen. Als niet alle schepen van boord zijn geslagen, dan zijn er – en kijk maar naar de foto en de filmpjes op internet – best nog wel wat aan boord achtergebleven. Hoeveel is niet duidelijk. Dan zeg je kennelijk maar: een aantal. Doorgaans is dat echter een betrekkelijk zinloze, want niets duidelijk(er) makende kwanitificatie. Zoals ook hier weer.
[Enkele dagen later is duidelijk dat er nog zeven (7) schepen aan boord waren toen het schip in zwaar weer terechtkwam, en dat er toen een (1) van het dek gekukeld is; volgens een doorgaans betrouwbare bron verklaart dat wel de slagzij die het schip vervolgens maakte].
De tekst wekt echter nog een andere suggestie. Ondanks de heftige storm en de dito slagzij van het dragende schip zijn alle schepen aan boord gebleven. Wel zijn ze ernstig beschadigd, want het zijn 'schepen, die voor een deel van het dek zijn geslagen.' De zee ligt ter plekke nu kennelijk vol voor- of achterstevenafval.
Was dit surrealistische ongeval helderder en meer waarheidsgetrouw in het nieuws gekomen als de penvoerder zich niet had bezondigd aan een ouderwetse enkelmeerfout? Zou de volgende tekstversie beter weergeven wat er aan de hand is:
De lading bestaat onder meer uit een aantal schepen, dat voor een deel van het dek is geslagen.
Neen. De schepen die van het dek zijn geslagen, behoren niet meer tot de actuele lading van het schip dat een speelbal van de woeste baren is geworden. Dat nu tollende schip is het lijdend voorwerp van dit bericht, niet het schip dat het nog was toen het statig de haven verliet waar het van lading werd voorzien.
Natuurlijk begrijp ik wel dat er in deze tekst iets staat als:
Van de lading, die onder meer bestond uit een aantal schepen, is een deel van het dek geslagen.
Pas dan staat er dat een deel van de lading, een deel van het aantal schepen dat de lading vormde, van het dek is geslagen, en niet een deel van de schepen die de lading vormden, en ook niet dat de weggeslagen schepen een deel van de lading vormen nu het schip in nood is en een gevaar vormt voor wie er bij in de buurt durft te komen.
Als ik in de nautische journalistiek werkte, zou ik die twee keer 'van' voor lief nemen in deze herschrijving van de mededeling. Om die repetitie te verdoezelen, en bijeen te zetten wat bijeen hoort, zou ik de zin toch als volgt herschrijven:
Een deel van de lading, die onder meer bestond uit een aantal schepen, is van het dek geslagen.
En bij nader inzien zou ik er niet bij zeggen waaruit die lading bestond. Dat doet er hier en nu niet toe.
Een deel van de lading is van het dek geslagen.
Dat is de actie die van belang is. Dat geeft sjeu (althans Schadenfreude) aan de story.
Je mist dan wel de komische noot dat een van de weggeslagen scheepjes nog wel dobbert en geborgen kan worden, zoals de Noorse kustwacht wist te melden. Puntje puntje puntje. Of de Eemslift Hendrika nog ongeschonden een veil'ge reê bereiken zal, ligt in de schoot der goden [of: in de handen van Boskalis].
zaterdag, april 03, 2021
Leve de antipathieke romanpersonages
Enfin, het waren echte mannenboeken die ik schreef, bevolkt door harde mannen. Misschien moet ik dat woord ‘hard’ een beetje nuanceren. Ze waren vooral hard voor zichzelf. Ze moesten zichzelf neerzetten in een weigerachtige wereld. Ze waren er niet op uit om anderen te benadelen maar dat gebeurde natuurlijk wel, en dat ze daarbij op gespannen voet stonden met de heersende moraal, laat zich raden. Zulke mensen vinden wij al snel onaardige, nare mensen.
Dat ik geen echt groot publiek bereikte, een bestseller heb ik nooit geschreven, had nog andere oorzaken en daar had ik wel vermoedens over. Ik was een schrijver van het arrogante type. Ik heerste over de lotgevallen van mijn personages, van wie ik uiteraard meer af wist dan zijzelf, en dat dwong de lezer samen met mij op een afstand naar de personages te kijken, wat een vanzelfsprekende identificatie verhinderde.
Deze Sander Schwartz weet daarom ook donders goed dat hij zijn lezer teleurstelt:
wat hij ten slotte in handen kreeg, was niet het ‘echtemensenboek’ waarop wij allen stiekem hopen, een boek dat ons de gevoelens van de personages laat zien, echte mensen in plaats van dragers van ideeën. Wij houden van sympathieke, invoelbare karakters, niet, met de titel van een essay van Willem Frederik Hermans, van ‘Antipathieke romanpersonages’.
zaterdag, maart 13, 2021
Lieke Marsman, De taal is te belangrijk om te verminken
Lees ik in de NRC eerst dat angst aanjagende verhaal over twee Groningers die zich ongeveer een leven lang teweer probeerden te stellen tegen gasgeile instanties en overheden, krijg ik daarna een loepzuiver stuk sprankelend proza van Lieke Marsman onder ogen waarin ze zonder moeilijk te doen de principes van het liederlijke linguïstische mombakkes van het neoliberalisme uit de doeken doet.
Ik hoop dat Marsman het niet bezwaarlijk vindt dat ik haar vlijmscherpe artikel hier kopieer, of nog makkelijker: er linkje naar maak (dan is de opmaak mooier, krijg je er illustraties bij, plus een gedicht).
Lezen! Nu. Eerst lezen. Dan pas stemmen.
"Na een opruiende speech van president Trump drong een woedende menigte begin januari het hart van de Amerikaanse democratie binnen. Nederlandse politici reageerden verontwaardigd: woorden doen ertoe. Bovendien moesten we ook hier waakzaam zijn voor populisten die mensen opzweepten tot rebellie en geweld.
Het is waar dat woorden ertoe doen, maar dat geldt niet alleen voor opruiende woorden. Alle woorden vóór het moment dat iemand letterlijk „Ten aanval!” roept, zijn minstens zo bepalend. We hekelen het afnemende vertrouwen in de wetenschap, maar vergeten voor het gemak dat onze eigen regering aan de wieg van dat wantrouwen stond door onze universiteiten kaal te plukken.
Zo nu en dan kijk ik op de site van de rijksoverheid, meestal na publicatie van een belangrijk rapport. Als dichter vind ik het leuk om te weten wat voor taal ze daar verzinnen. Een passage die me altijd is bijgebleven komt uit het MH17-rapport Strategische Politie Evaluatie MH17. De MH17-ramp is een van de grootste collectieve trauma’s van de afgelopen twintig jaar. In de nasleep wilde men daarom weten hoe de overheid met alle chaos en onzekerheid was omgegaan. Welke crisisplannen hadden er klaar gelegen, hoe konden we in de toekomst beter op zo’n grote crisis reageren?
Het rapport beantwoordt deze uiterst belangrijke vragen als volgt: „De geïdentificeerde lessen kunnen in het geval van MH17 worden samengebracht onder de ‘4B’s’: begrip, balans, bemensing en beeldvorming. […] Begrip doelt enerzijds op de kennis over de rijkscrississtructuur en de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van partners (extern) en anderzijds op de kennis van andere interne werkprocessen. Het gaat bij balans enerzijds om de afweging tussen de operationele politiek-bestuurlijke belangen (extern) en anderzijds om de verhouding tussen operationele processen en bedrijfsvoeringsonderdelen (intern).” Enzovoorts.
Zou er iemand in Nederland zijn die hier iets van kan maken? Ik kan me niet voorstellen dat er uit dit soort proza daadwerkelijke lessen worden getrokken. En mede om die reden zitten we nu, in een volgende crisis, met grotere problemen dan nodig.
Ik vrees dat veel mensen de taal uit bovenstaand voorbeeld herkennen uit eigen ervaring met (semi-) overheidsinstanties. Met de privatisering van de publieke sector is de taal van het bedrijfsleven tot in alle lagen van de samenleving doorgedrongen. In evaluaties is dit soort taal vooral een gemiste kans. Erger wordt het wanneer deze taal zelf problemen creëert of in stand houdt. Met dit soort taal kon de Belastingdienst jarenlang verantwoordelijkheid ontwijken in de Toeslagenaffaire. De hele affaire is een wirwar van Fraude Signalering Voorzieningen, Gegevensbeschermings Effect Beoordelingen en privacy-officers die iets met toezichtstrategieën en compatibiliteitswetten doen. Het maakte ingrijpen nóg lastiger. Als je het niet begrijpt, is het moeilijk er iets van te vinden, laat staan er iets mee te doen.
Dit alles zou een toevallig maar onbedoeld gevolg kunnen zijn van toegenomen marktwerking, ware het niet dat er tegelijkertijd hardnekkig campagne gevoerd is om de taal die ons hiertegen zou kunnen wapenen de mond te snoeren. Kunst en literatuur, bij uitstek geschikt om in een doolhof van vaagtaal toch de schuldigen te vinden, zijn gedegradeerd tot elitaire liefhebberij. Voormalig staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) bezuinigde 200 miljoen per jaar op cultuur. Minister Wiebes (Economische Zaken, VVD) plaste daar triomfantelijk overheen en veroordeelde de kunstenaar tot de hobbykamer. Studenten Nederlands moesten plaatsmaken voor economie- en informatica-studenten en snel een beetje. Tekorten op de onderwijsbegroting van universiteiten werden gevuld door de ene na de andere talenstudie de nek om te draaien. En de volgende bezuinigingen op het hoger onderwijs zijn alweer uitgestippeld.
In Nederland is het verwijt elitair te zijn een van de ergste beschuldigingen die je ten deel k[unnen]n vallen, eentje die veel langer blijft plakken dan bijvoorbeeld de beschuldiging dat je een leugenaar bent, die te pas en te onpas zijn herinneringen verzint of vergeet. Zo kan het dat Mark Rutte op een klinkende verkiezingszege afstevent, terwijl Sigrid Kaag zich daags voor de verkiezingen nog steeds van het elitarisme-stigma moet ontdoen, hoe vaak ze zich ook met haar labradors laat fotograferen.
Als reactie op het verwijt elitair te zijn, zijn partijen als GroenLinks en D66 hun idealen in steeds flitsender en ‘behapbaarder’ brokjes gaan persen. Het resultaat is een utopia in bulletpoints: goed onderwijs, goed werk, meer kansen — een wereld waarin ik persoonlijk niet zou willen wonen, omdat ik geen idee zou hebben waar ik aan toe was. Het is helemaal niet altijd makkelijker om niet elitair te zijn. Er is bovendien niets zo elitair als je publiek stelselmatig onderschatten. En onderwijl verschuilt de financiële elite zich lachend achter dikke lagen van bemensing, balans en begrip. Taal waar misschien twee procent van de bevolking iets van begrijpt – hoe elitair wil je het hebben?
Dat partijen tegenover de ondoordringbare taal van ministeries een taal willen stellen die wel voor iedereen te begrijpen is, is logisch en goedbedoeld. In de praktijk leidt het helaas vaak tot een bevreemdende mengeling van kinderlijke woorden (‘jokken’, ‘huilie huilie doen’) en Grote Woorden (De Democratie, De Vrijheid) die geen gedeelde definities hebben.
Het kan niet anders of de democratie die Forum voor Democratie voor ogen heeft, verschilt wezenlijk van die van de SP, maar in debatten wordt hier gemakkelijk overheen gestapt. Als we zeggen dat onze democratie onder druk staat, is dat in de eerste plaats omdat niemand nog weet wat we precies bedoelen als we ‘democratie’ zeggen. Uit onderzoek van de Universiteit van Amsterdam bleek vorige week zelfs dat meer dan een vijfde van de tweedeklassers geen idee heeft of we überhaupt wel in een democratie leven.
Woorden als democratie en vrijheid moeten iedere dag opnieuw hun lading krijgen. Gebeurt dat niet, dan blijft er weinig meer van ze over dan een sleetse uitroep van afkeuring of instemming. Dit is van alle tijden. George Orwell schreef in zijn geweldige essay Politics and the English Language (in 1946, slechts een jaar na de grootste fascistische genocide uit de geschiedenis) al: „Het woord Fascisme heeft nu geen betekenis meer behalve dat het aanduidt dat iets ‘niet wenselijk’ is.”
Democratie: yay! Fascisme: boe! Iemand neemt het woord vrijheid op in zijn partijnaam? Zal wel goed zijn dan.
Het gevolg is dat het steeds moeilijker wordt om woorden te vinden die nog wel effect hebben. De status quo wordt steeds onvermurwbaarder. Politici zijn de grip op de werkelijkheid kwijtgeraakt. Dat dit inderdaad zo is, valt af te lezen aan hoe vaak ze het woord ‘echt’ gebruiken. In een laatste wanhoopspoging de werkelijkheid naar hun hand te zetten is iets ‘echt’ erg. We willen echte keuzes. Echte verandering. De verkiezingsslogan van de ChristenUnie: „Kiezen voor wat écht telt”.
Zonder een levendig cultureel debat waarin de definities van woorden steeds opnieuw worden bepaald en uitgesponnen, blijft het in de politieke arena pingpongen met holle woorden. Dat spel winnen demagogen met twee vingers in de neus.
Er is nog iets anders aan de hand. Neem die ‘4B’s’ uit het MH17-voorbeeld: die lijken mij nogal willekeurig gekozen. Onderzoeksresultaten dienen zich helemaal niet aan in kant en klare stukjes die ook nog eens met dezelfde letter beginnen. Hier spreekt de premisse dat kennis pas kennis is als ze in cijfers te vatten is. Het liefst in enen en nullen, maar in ieder geval in cijfers. Desnoods dwingen we onze resultaten zo’n mal in. We willen meten, doorrekenen en herberekenen.
Maar de meeste ervaringen van mensen zijn niet in cijfers uit te drukken. Beleid dat zich enkel op cijfers baseert, maakt op z’n best nummertjes van mensen en komt zo steeds verder van de menselijke ervaring af te staan. Deze vervreemding zie je in de jeugdzorg, op de woningmarkt, bij de belastingdienst – eigenlijk overal waar het kapitalistische cijferfetisjisme de afgelopen decennia heeft huisgehouden. Maar de werkelijkheid is gelaagd en genuanceerd en smeekt erom als zodanig te worden beschreven. Een kenniseconomie zonder levende geesteswetenschappen is dan ook geen knip voor de neus waard.
In twintig jaar CDA en VVD is een bloeiende Nederlandse taal tussen vuistdikke commissierapportages samengeperst tot een droogbloem die rijp is voor het herbarium. Een nieuw intellectualisme is daarom noodzakelijk. Kunst en cultuur zijn geen linkse hobby’s, ze zijn van essentieel belang voor het maatschappelijk debat en de democratische waarden die daaruit voortvloeien.
Tegenover de ondoordringbare managerstaal van beleidsmakers hoeft geen kinderlijk simpel en inhoudelijk leeg jargon te staan. Schoonheid en originaliteit kunnen de rookgordijnen van het McKinsey-idioom voor eens en altijd wegblazen. Gevoeligheid en gelaagdheid kunnen wel door teflon-taallagen heen beuken. De prachtige ironie van dit alles is dat kunst helemaal nooit per se links was, maar dat woorden in potentie wél krachtig zijn en gevolgen hebben – zozeer dat als de Zijlstra’s en Wiebessen van deze wereld maar vaak genoeg zeggen dat iets links is, het vanzelf zo wordt. Je zou dus kunnen zeggen dat rechts Nederland zichzelf de schoonheid van taal heeft afgepakt. Een nieuw intellectualisme is dan ook geenszins een uitsluitend linkse aangelegenheid.
Ik wens dat kunstenaars en schrijvers niet langer verdacht zijn zodra ze geen winstrekening kunnen presenteren. Hun winst is een samenleving die weerbaar is tegen populisme en ondermijning. Het moet afgelopen zijn met de bezuinigingen op cultuur en onderwijs: laat dit op de formatielijstjes van alle partijen staan. Een nieuw kabinet moet bovendien de geesteswetenschappen in ere herstellen. Niet alleen opruiende woorden doen er toe: de hele huidige destabilisatie van onze democratie (wat ik daar ook mee moge bedoelen) is een rechtstreeks gevolg van taalverminking en -vernietiging. Ik zie uit naar overheidscampagnes die kinderen oproepen om Geschiedenis, Nederlands of Theologie te studeren. Zou dat geen mooie verkiezingsbelofte zijn?"
De DJ met maar één, grijsgedraayde plaat
Afgaande op het gebruik van depreciërende of zodanig bedoelde concepten als 'het clubje antiracismeactivisten', 'de culturele wereld', 'de huidige generatie activisten', 'de kernstukken van de intersectionele Catechismus' en 'de postmoderne, welhaast religieuze overtuiging', behoort de zich als 'neerlandicus en journalist' afficherende columnist Elma Drayer zelf tot wat zij, met het schuim van haar verontwaardiging op de lippen, 'de structuurdenkers' noemt.
Woorden als 'weer' en 'opnieuw', en vooral het (ik durf het bijna niet te zeggen) vrijwel systematisch gebruik van op niets gebaseerde, quasi-kwantitatieve generalisaties 'Veruit de meeste', en niet te vergeten de op nog minder feitelijkheden gebaseerde veronderstellingen met betrekking tot wat anderen van mening zouden kunnen zijn ('Het zal op de geadresseerden geen indruk maken', bijvoorbeeld) maken duidelijk dat La Drayer tot op het bot versysteemd is, met daarbij de kanttekening dat het een bijzonder idiosyncratisch systeem is met Drayer als bleekwit middelpunt, een melkweg zonder andere sterren.
Dat alleen zou reden zijn haar een bijscholingscursus aan te bevelen, maar daar komt nog bij dat veel van de door haar geproduceerde zinnen getuigen van een zo grote logische brokkeligheid ('Want heel begrijpelijk hoor [...]. Maar [...]') dat ik me af ga vragen wanneer dat dan wel was, dat ze haar diploma behaalde. Zo schrijft ze tussen haakjes: 'Tip: scan een tekst op termen als "structureel", "systeem" en "institutioneel", tien tegen één dat je iemand treft die het gedachtengoed is toegedaan.'
Dat 'tien tegen één' getuigt van de systematiek van het noodlot, de loterij of de roulettetafel, niet van zelfs maar het begin van een vorm van gedegen onderzoek (ja ja, het is maar een column, maar dat genre heeft ook z'n grenzen van betamelijkheid en grondeloosheid). Iets dergelijks geldt voor 'scannen', wat volgens de dikke Van Dale van alles kan betekenen maar door Drayer overdrachtelijk wordt gebruikt in de zin van 'snel nakijken, diagonaal lezen'. Het woordenboek, waarin de woorden structureel', 'systeem' en 'institutioneel' ook voorkomen – dit wellicht tot Drayers eenvoudig te wekken verbazing – geeft er ironisch genoeg als voorbeeldzin bij: 'de krant scannen', iets wat ik onder invloed van het aftandse proza dat door Drayer wordt geproduceerd, geneigd ben in toenemende mate te doen, ware het niet dat er in dezelfde krant het overheerlijk antidotum is van de uitmuntende columns van Sheila Sitalsing.
Maar wat ik wilde zeggen? Dit: als je een tekst zo scant, kom je niemand tegen, ongeacht wat Drayer ervan denkt. Bijscholing zou haar om nog een reden goed doen: de 'huidige generatie' neerlandici en de neerlandici die thans in opleiding zijn, hebben heel wat meer kaas gegeten van distant reading dan Drayer pretendeert in huis te hebben. Dat blijkt onder meer uit onderzoek dat Saskia Pieterse met anderen heeft gedaan naar diversiteit van personages in Nederlandse romans. Maar: ik weet eigenlijk niet of ik haar wel als voorbeeld mag noemen. Zij is mijn collega, dus is kan bevooroordeeld zijn. Daarbij behoor ik tot een andere generatie dan zij (beleefdheid verhindert me hier met leeftijden voor de dag te komen), en ik weet zeker dat ik tot een andere generatie behoor dan de studenten die nu aan de UU en elders Nederlands studeren en rijkelijk voorzien worden van elementaire en nadere kennis op het gebied van de digitale humaniora.
Overigens is het mij niet duidelijk waarom mijn collega in dezelfde krant waarin Drayer haar eigen single maar blijft pluggen, eerst werd aangeduid als wat ze qua professie daadwerkelijk is en in welke hoedanigheid ze ook schreef: universitair docent moderne Nederlandse letterkunde, maar door Drayer neer of weg wordt gezet als 'Utrechtse letterkundedocent'. De specifieke aanduiding van het vakgebied van mijn collega is van belang in het licht van het onderwerp dat zij in haar heldere artikel bespreekt: ze refereert aan de geschiedenis van moderne Nederlandse letterkunde (die, zoals Drayer zich misschien nog herinnert, diep in de negentiende eeuw begint) om de visie te schetsen die zij heeft op een hedendaags en deels letterkundig onderwerp, dat ik hier maar even kort door de bocht noem: de zaak Gorman-Rijneveld. Daarbij teken ik aan dat de letterkundige van vandaag eigenlijk al lang een taal- en cultuurkundige is: wie nu Nederlands studeert, volgt de opleiding Nederlandse taal en cultuur.
Tot slot: hoe dol is het om een wetenschapper te verwijten de regelmatigheden te onderzoeken die schuilgaan onder de oppervlakte van het alledaagse, de patronen na te trekken en bloot te leggen die in de wereld verborgen kunnen zijn, met andere woorden: de werkelijkheid te duiden. De neerlandicus, voor alle duidelijkheid, richt zich vooral op het Nederlands, met name op het communicatieve en culturele aspect van dat stuk werkelijkheid. En geloof het of niet: daar zitten allerlei patronen in.
Hoe dom is het de wetenschapper te verwijten te werken met systematiek, met methoden, in disciplinaire kaders (let op het meervoud). Dat je dit anno 2021 nog moet uitleggen. Dan hebben we nog wel meer dan een heuveltje te gaan.
donderdag, maart 11, 2021
De roman - niet de serie
Onlangs was ik zelf als lezer helemaal in de ban van Douglas Stuarts met de Booker Prize 2020 bekroonde debuutroman Shuggie Bain (2020). En, noem het een moment van onnadenkendheid, ik dacht ter beschrijving van mijn leesplezier aan een vergelijking met het binge'n van een televisieserie, vooral om woorden te geven aan mijn drang om – voor, tussen en na de dagelijkse beslommeringen – steeds weer verder te lezen in dat lekker lange en dramatische en fel-realistische verhaal.
Maar nu heeft een heel ander stuk literatuur me bij de kladden, of lurven: de in september 2020 her-uitgegeven debuutroman Divorcing (1969) van Susan Taubes (1928-1969). Het is haar enige roman gebleven.
Divorcing heeft, bijna zonder overdrijving, niets gemeen met Shuggie Bain, of het moet zijn dat beide boeken gebaseerd zijn op autobiografisch materiaal. Maar welke roman is dat niet? En: dat materiaal kent nauwelijks overeenkomsten. Stuart werd pas zeven jaar na Taubes' dood geboren, en niet in Hongarije maar in Glasgow, Schotland, niet als vrouw, niet voor de Tweede Wereldoorlog, niet als hetero, niet als Jood, niet in een intellectueel milieu en misschien zelfs niet als schrijver. Ook verschilt de uitwerking door beide auteurs van hun materiaal tot een roman hemelsbreed.
In Shuggie Bain springt het verhaal lustig door de tijd heen, maar de grote perioden zijn expliciet aangegeven, en de vertelling blijft steeds van dezelfde, klassieke trant, met een rotsvast gevestigde impliciete auctoriale vertelinstantie die de boel keurig regisseert en het licht nu eens op dit, dan weer op een ander personage zet.
Divorcing daarentegen (voorzichtig: ik ben nog niet eens halverwege met lezen) is een weelderig woekerend, schijnbaar vormeloos rif of oerwoud van tekstsoorten en vertelwijzen en tijdvakken en werkelijkheden, een schromeloos amalgaam van klassieke vertelkunst, directe of indirecte monologen, brieffragmenten, overdenkingen, descripties, dialogen, dromen, hallucinaties, theaterbrokken, essayistische flarden, retroversies, surrealistische scènes en metafictionele passages, om maar een begin van een opsomming te maken. Maar toch wekt deze roman niet de indruk een geforceerd, theoretisch onderbouwd, literair experiment te zijn; het is geen opzettelijke constructie, geen opzichtig spel met de fictionele mogelijkheden. Deze roman moest zo zijn als ze is, zoals ook Jennifer Schaffer zegt aan het eind van een prachtige, uitgebreide, borende beschouwing in The Nation:
It can sometimes seem as though the highest goal for a novel in our time is to be made into a television series. The result has been a procession of novels that read almost like background material for a script: plotted with the aim of being binged, more developed than written, more consumed than read. The reasons for this shift –t he narrowing of possibilities for economic sustainability in the arts, the mass screen-addiction with which analog art forms have been forced to contend – are obvious and therefore uninteresting, as are most of the results. But the power of a reissued novel, especially a mostly forgotten novel by an author long dead, lies in part in its ability to remind us of other goals, other purposes, other conditions for creation. In our era of made-for-adaptation fiction, Divorcing is thrillingly set apart by its manipulation of and deep faith in, the novel as a form. Taubes draws together a tangle of realities and perspectives that could not fit into a medium any less forgiving or less malleable than one lacking in all practical restrictions except that it must take the form of words on pages, bound together in some set order. It has been a while since I last read a novel that gave off that incandescent quality of needing to be exactly what it was, of being unsuitable for any other medium. I had almost forgotten how good it feels.
dinsdag, februari 23, 2021
Letterlijk
Maurits [...] snoerde in 1619 via een proces zijn meest directe politieke tegenstander, raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt, letterlijk de mond. Oldenbarnevelt werd veroordeeld voor landverraad en onthoofd.
Wat stadhouder prins Maurits van Oranje deed, was niet mis, hij zorgde ervoor dat Van Oldebarnevelt schuldig werd bevonden aan land- en hoogverraad en ter dood werd veroordeeld. De executie van die straf vond plaats door middel van onthoofding; daarna is er, volgens doorgaans betrouwbare bronnen, nooit meer een woord uit de man vernomen. Maar kwam dat doordat Maurits hem – al dan niet direct – letterlijk de mond snoerde?
Ik denk van niet. Figuurlijk, daarentegen, wist Maurits zulks wel degelijk te bewerkstelligen. Wie zijn hoofd kwijt raakt, verliest immers ook zijn spraak.
Maar wat zou Maurits moeten hebben (laten) doen om Johan letterlijk de mond te snoeren? F.A. Stoett zegt er het volgende over in Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden:
1537. Iemand den mond snoeren (of stoppen),
d.w.z. iemand het zwijgen opleggen; 17de eeuw iemand muilbanden (zie Ndl. Wdb. IX, 1204); eig. iemands mond vast of dichtbinden, of door er iets in te steken, te stoppen; dit laatste meestal fig. door middel van geld of geschenken. Zie Matth. XXII, 34: Ende de Pharizeen gehoort hebbende, dat hy den Sadduceen den mont gestopt hadde, zyn te samen by een vergadert;
De letterlijke vertaling van deze figuurlijke of oneigenlijke uitdrukking staat een beetje verborgen achter een afkorting die 'eigenlijk' betekent: 'iemands mond vast[-] of dichtbinden'.
Heel eventjes heb ik gekeken of dit gebruikelijk was anno Maurits en Johan, maar ik staakte het zoeken toen ik op Historia.nl in een top-10 van martelmethoden het navolgende aantrof over wat, denk ik, wel een 'muilpeer' mag heten; het lijkt evenwel meer betrekking te hebben op iemand de mond stoppen dan op iemand de mond snoeren...
4. De peer en de tongtang
Leugens en blasfemie werden hard bestraft in de middeleeuwen. Een van de methoden voor dit type overtredingen was de peer.
Verbrijzelde kaken
Een peervormige ijzeren kogel werd in de mond van het slachtoffer gedaan. Deze was verbonden met een ijzeren stang, waar aan gedraaid kon worden. Als dit gebeurde opende de peer zich in drie of vier delen, zoals de bladeren van een bloem.
Dit had een dramatisch effect. Als de peer openging, werd de mondholte tot het uiterste opgerekt en de kaak verbrijzeld, waardoor het slachtoffer nooit meer duidelijk kon spreken.
Er zijn meerdere exemplaren van dit instrument bewaard gebleven, maar het is onduidelijk of het ooit echt gebruikt is. Een bron uit 1639 meldt dat rovers het op hun slachtoffers toepasten zodat ze niet om hulp zouden roepen, maar er zijn geen vroegere bronnen die het met marteling in verband brengen.
Hoe dan ook: Hugo de Groot, nog zo'n remonstrant, mocht zijn handen dichtknijpen toen contra-remonstrant Maurits hem, eveneens in 1619, voor straf alleen maar levenslang naar Loevestein stuurde.
woensdag, februari 17, 2021
Stijlvariatie
As he climbed the stairs to the hallway he could hear her on the phone. "Fuck you, Joanie Micklewith. You tell that whoremastering son of a Proddy bitch that he cannot have his cake and eat it too!" Each filthy syllable was enunciated with the alarming clarity of the Queen's English. "You shitty, dick-sucking bastard. You are as plain and tasteless as the arse end of a white loaf." The receiver went down with a clang, and the bells tinkled with the impact.
Een alinea uit hoofdstuk 'Ten' van Shuggie Bain. Uit het voorafgaande is het de lezer die tot hier is geraakt al wel duidelijk geworden dat met 'he' Shuggie wordt bedoeld. Minder evident is dat 'she' naar diens moeder verwijst, want er stond in de voorgaande alinea niet dat 'he' op weg was naar huis, bijvoorbeeld. De ferme taal die 'she' eruit gooit, laat de lezer evenwel weinig ruimte voor twijfel aan de referent van 'she' en even weinig voor twijfel aan de staat waarin mama weer verkeert.
In al de voorafgaande hoofdstukken is duidelijk een ouderwets soort (volwassen) alwetende verteller aan het woord, zo een die de aandacht van de lezer naar allerlei personages verlegt, meestal per hoofdstuk wisselend, al dan niet abrupt. Van een echte variatie van perspectieven, elk apart aan een personage gebonden, van individuele, persoonlijk gekleurde focalisaties is geen sprake. De anonieme, soevereine verteller blijft stevig aan het woord en is tevens degene die alles waarneemt, of: die doet alsof hij degene is die, weliswaar in parallel aan het personage, of als vanuit een drone die erboven zweeft, waarneemt wat er gebeurt. In ieder geval ben ik tot hiertoe niet gestruikeld over iets als erlebte Rede.
Misschien vergis ik me, doordat ik dit boek in het Schots gekleurde Engels lees waarin het geschreven is en ik niet gevoelig genoeg ben voor de taalkundige aspecten waarmee subtiele wisselingen in het vertellen en focaliseren gepaard gaan. Mocht dat zo zijn, doet me dat deugd, want ik beleef doorgaans bepaald weinig genoegen aan romans met het kunstmatig benepen perspectief van negen- of anderszins minderjarigen.
Deze verteller vertelt wat er gaande is, alsof hij erbij is of is geweest, maar zonder dat hij een 'getuige' is te noemen (die immers een afwijkende visie zou kunnen hebben), en tegelijk 'toont' hij het gebeuren, in dit geval door te citeren wat 'she' zegt - en dat is net iets anders dan weergeven wat 'he' hoort. Cruciaal verschil. Zou een klein jochie, hoe leep en vroegwijs ook, deze woorden van zijn moeder horen, zou hij misschien de helft ervan niet goed begrijpen, en dus ook niet goed kunnen weergeven. Maar helemaal incompatibel met de versimpeling, eigen aan de werking van een minderjarig brein, zou het commentaar zijn, dat volgt op de 'aansporing' die mama de telefoon in slingert. Het lijkt er eerder op dat deze beschouwing afkomstig is van een afstandelijk en mededogend, zij het ook met een licht dédain genietend Brits parlementslid dat luisterend in zijn clubfauteuil mama's monoloog door een bediende voorgelezen krijgt.
Des te fraaier, dat na het commentaar nog een knaterend citaat van mama op dezelfde pagina staat. En dat daar weer na opnieuw een, aanvankelijk van alle gevoelswoelingen gespeende, commentariërende beschrijving volgt: 'The reciever went down' – alsof dat ding er eigener beweging moedeloos bij gaat liggen, het doorgeven van het schelden moe. Pas daarna volgt toch nog de weerklank van de woordenstrijd en de woede: 'clang' en 'bells', en, eveneens haast onopvallend rijmend, 'tinkled' en 'impact'.
Nu ik het citaat her- en herlees, vraag ik me af hoe hoog Shuggie en zijn moeder eigenlijk wonen, hoeveel verdiepingen mama met haar dithyrambe overbrugt, en wat haar zoontje daar eigenlijk van vindt. Het is heel prettig voor de zelfstandige lezer dat de verteller dit hem of haar niet allemaal op de mouw heeft willen spelden.
woensdag, januari 20, 2021
maandag, januari 18, 2021
Lekker tellen
Zondagnamiddagwandeling
'Bij een zondagnamiddagwandeling / liep ik de herenhuizen in te kijken'.
Heel erg vreemd is het woord nou ook weer niet, maar ik herinner me uit mijn werkzaamheden voor mijn proefschrift, dat meer dan een recensent of bespreker zich vergiste in het woord en er 'zondagmiddagwandeling' van maakte. Achterberg daarentegen heeft bij het ontstaan van het gedicht nooit getwijfeld aan het woord. Hij schreef het meteen zo in de eerste schrijffase op een blaadje van een kladblok, zonder vraagteken ervoor, erdoor of erachter, en hij heeft er later nooit verandering in aangebracht of zelfs maar (op papier) er een alternatief voor overwogen.
Toen ik onlangs weer in de omgeving van Achterbergs geboortehuis wandelde, waar deze bundel zich goeddeels af lijkt te spelen, moest ik daar weer aan denken – en vervolgens ook aan de tweede regel van sonnet III van de Ballade van de gasfitter (1953), die meer dan eens verbasterd is tot 'Of gaten in de gasleiding slaan', waar Achterberg, mede om redenen van metriek, 'gasgeleiding' schreef; maar dat ter zijde.
Voer je anno nu "bij een zondagnamiddag" in als zoekterm in Google, is de eerste reactie:
'Did you mean: bij een zondagmiddag[?]'
Nee, dat bedoelde ik niet, en nee: Achterberg bedoelde dat ook niet. We bedoelen: 'zondagnamiddagwandeling'! Behandel de woorden van de dichter met respect, zo ook mijn zoektermen ('gasgeleiding' wordt vergoogled tot 'gasleiding').
Wat schetst dus mijn verbazing als ik, lezend in de Leseprobe van Esther Kinsky's Am Fluß (2014), het woord 'Samstagnachmittagspaziergang' tegenkom? Geen idee, maar leuk vind ik het wel, dat woord. Nog langer dan dat van Achterberg, ook al is het een dag eerder en in het Duits waarschijnlijk minder ongebruikelijk.
De Nederlandse vertaling, Langs de rivier (door Josephine Rijnaarts, uitgeverij Pluim 2020) heeft (echter): 'zaterdagmiddagwandeling'. Wat jammer nou, ook al is het conform Van Dale DU-NL s.v. 'Nachmittag'; de tweede optie die dit naslagwerk biedt, is echter wel 'namiddag'. En Van Dale NL-NL benoemt inderdaad een nuanceverschil s.v. 'middag': '1 het midden van de dag 2 de tijd van 12 uur tot 18 uur; = namiddag'.
Ik ben benieuwd wat Kinsky in gedachten had. Sowieso naar wat ze van de vertalingen vindt. De roman heet in de oorspronkelijke uitgave een Roman te zijn, maar in de Nederlandse vertaling wordt hij op het omslag aangeduid als Terreinroman; de Engelse vertaling heeft als titel slechts River, zonder ondertitel. Dat is wel in mooie overeenstemming met het motto, ontleend aan Ian Sinclair's Ghost Milk: 'The ultimate condition of everything is river'. Het bepalend lidwoord in de Nederlandse titel is me te specificerend, terwijl de roman langs verschillende rivieren voert, als ik het wel heb.
Ik kies er, na de Probelesung en de leesproef, toch voor om de Nederlandse vertaling te kopen (en, CV, een papieren versie, en online bij een lokale boekhandel). Het is een zeer omvangrijke roman, bestaand uit bijzonder veel beschrijvingen, beschrijvingen van halflandelijkheid (een begrip dat ik alleen ken uit een gedicht van Simon Vestdijk, maar een concept dat in de werkelijkheid ruim voorradig is), genuanceerde, zorgvuldige beschrijvingen, die een beroep doen op een groter vocabulaire dan ik in twee jaar middelbare school-Duits heb aan kunnen leren en in de decennia erna heb proberen uit te breiden. De vertaling van Rijnaarts lijkt me zeer wel geslaagd, kleinigheden daargelaten waarover het in een vertaling altijd plezierig struikelen is, omdat ze heel vaak toch op de kracht van het origineel wijzen.













