dinsdag, augustus 29, 2023

Over een zin

Voor Rubiales' carrière als bondsbons is hij een modale verdediger, die vooral op het tweede Spaanse niveau uitkomt.

Aldus Dylan van Bekkum in een Profiel-stuk in de Volkskrant van 29 augustus 2023 op pagina zeven.

Deze zin lijkt me grammaticaal en syntactisch helemaal in orde. Ook de spelling is goed, de typografie, het ritme. De (niet volledige) klankherhaling in 'voor', 'bondsbons en 'modale' is niet nuttig maar wel leuk in de krant. Maar ik moest de zin tweemaal lezen eer ze een plekje vol begrip vond in mijn brein.

Ik verwachtte ander vervolg na de bepaling van tijd, iets in de geest van:

Voor Rubiales' carrière als bondsbons is het kaken van de zegevierende Spaanse voetbalsters als het openen van een porseleinkast met een ontspoorde goederentrein.

Dat kan aan mij liggen, maar ik lig inmiddels behoorlijk vast, en de plasticiteit van mijn brein niet minder, terwijl aan een zin altijd nog wel wat te morrelen valt:

Voor zijn carrière als bondsbons is Muriales een modale verdediger, die vooral op het tweede Spaanse niveau uitkomt.

Die licht gewijzigde formulering van Van Bekkums zin vind ik veel makkelijker te begrijpen, doordat in de hoofdzin het onderwerp expliciet vermeld staat bij de persoonsvorm, en niet indirect met een verwijzend, persoonlijk voornaamwoord.

Bij nader inzien begin ik toch te twijfelen of de inleidende bepaling wel helemaal deugdelijk is. Nog beter is wellicht:

Voor zijn carrière als bondsbons begint, is Muriales een modale verdediger, die vooral op het tweede Spaanse niveau uitkomt.

Maar dan zou ik, in een krantenstuk dat een profiel van iemand schetst en dus vooral zakelijk en informatief moet zijn, nog meer veranderen. Dat nogal literaire praesens historicum maakt de boel wel mooi maar ook nodeloos ingewikkeld. Ergo:

Voor zijn carrière als bondsbons begon, was Muriales een modale verdediger, die vooral op het tweede Spaanse niveau uitkwam.

Het contrast tussen Muriales' onopvallende start op de grazige werkvloer en zijn daarop volgende kantoor- en party-loopbaan op bestuurlijk meta-niveau blijft behouden; de afwijkende chronologie houdt de aandacht van de lezer gevangen. Anders zou het saai zijn:

Muriales was een modale verdediger, die vooral op het tweede Spaanse niveau uitkwam, voor zijn carrière als bondsbons begon.

Erg saai, lelijk ook, met nota bene ‘begon’ als slotwoord. Wel passend eigenlijk, alleen deze zin als necrologie. Niet te veel mooie woorden vuil maken aan zo'n knakker. Laat dat maar aan zijn moeder over.

dinsdag, mei 23, 2023

Lezersbedrog

Terwijl ik met Freddy slenterde door boekhandel Het Colofon bleef mijn door de winkel bladerend oog haken bij een grappige titel: The Book that No One Wanted to Read. Het boek is geschreven door 'actor-author-broadcaster-comedian-filmmaker' Richard Ayoade, en verscheen bij uitgeverij Walker Books in 2022.

Achterop staat deze aankoop-aanjagende aanprijzing:

it's the first book to have been written by a book (me).

Dat klinkt net zo leuk als de titel. De titel klopt trouwens volgens een blurbje eigenlijk niet. Nadia Shireen heeft immers gezegd dat het boek zo leuk is dat de titel zou moeten luiden: The Book That Everyone Wanted To Read.

Maar als ik het wel heb, is dit niet het eerste boek dat door een boek geschreven is. Al in 2014 verscheen eveneens bij Walker Books: My name is Book. An Autobiography. In kleine letters staat op het voorplat volledigheidshalve ook nog: as told by John Agard. Op het achterplat staat deze aanprijzing:

This is non-fiction like you've never read it before – the story of books, told by none other than... BOOK!

Het zijn allebei kinderboeken. Maar ook werken in dat genre moeten qua volwassen paratekstuele informatie toch serieus en correct zijn?

Om de boel verder te compliceren: in 2021 verscheen bij Pushkin Children's Books een jeugdboek van Beth Bacon met de kennelijk plagieerbare titel: The Book No One Wants to Read. Een echte loljurk, die Bacon; ze schreef ook I Hate Reading en The Worst Book Ever.

dinsdag, mei 09, 2023

Nog weer eens stijl, nogmaals beeldspraak (II)

Nu ik Niets is gelogen (2019) van Sacha Bronwasser aan het herlezen ben (omdat de roman nogal intrigerend is qua thema en vertelling), zie ik dat ik bij de eerste lezing waarschijnlijk niet zomaar over een vergelijking struikelde, maar dat dat mede gebeurde doordat er vlak daarvoor al een vreemde beeldspraak staat; daar had ik overheen gelezen, nieuwsgierig als ik was naar wat er allemaal nog zou komen. Maar bij herlezing struikelde ik er alsnog over. Op ongeveer 4% van het totaal (het is lastig verwijzen naar een e-boek), het laatste onderdeel van 'deel I: middag', staat dit:

De aanloop naar dit moment is opgelost, gorgelend weggelopen in de trechter van het geheugen.

Ik denk dat ik wel begrijp wat de (bedoelde) betekenis is; die staat naar ik aanneem namelijk al in het gedeelte vóór de komma: de gebeurtenissen voorafgaand aan 'dit moment' heeft de ik-vertelster, het personage Gala Versluis (de kunsthistorica en freelance-journaliste die een inleiding gaat houden bij de opening van een tentoonstelling in Kortrijk van werk van Lisa van Staal), de gebeurtenissen daaraan voorafgaand heeft ze niet of niet goed in haar geheugen opgeslagen en/of is ze vergeten. Het 'oplossen' is de natuur- dan wel scheikundige metafoor voor 'mnemotechnisch niet beklijven'.

Om het punt duidelijk(er) te maken en/of om het sterker te formuleren, volgt er na de komma een tweede metafoor, die is gecombineerd met een vergelijking, als een soort zelfcorrectie. 

Na die tweede beeldspraak volgt ook nog wat duidende context: 'Blijkbaar had ik besloten dat ik niet alleen zou gaan en had ik Fatima gebeld.' Zo kan dat gaan in een mensenhoofd; het woord 'Blijkbaar' verraadt opnieuw het weinig standvastige karakter van de registrerende en terugblikkende menselijke geest. Sowieso gaat deze roman, net als Luister (2023), over de subjectieve, onvolledige, verteken(en)de, kortom: gatenkazerige wijze waarop een individu het leven waarneemt en opslaat (ik zoek nog een mooi Nederlands equivalent van 'lückenhaft').

Wie herinnert, terugblikt, memoreert, kan voor verrassingen komen te staan, zeker wanneer de ervaringen en herinneringen van anderen erbij betrokken worden (een vergelijkbaar meervoudig perspectief speelt een rol in Luister). De kleinigheden van de aanloop naar 'dit moment' in Niets is gelogen zijn min of meer uit Gala's herinneringen verdwenen, zoals suiker oplost in een kopje thee, niet meer van de thee te onderscheiden als zelfstandig iets, verdund en schijnbaar verdwenen in de herinnering aan het (belangrijker) geheel van het moment zelf, waarvan deze roman de omcirkelende, benaderende beschrijving is. Die beschrijving door Gala is de roman, en de roman is, net als Luister, een monoloog. Beide romans zijn ook te karakteriseren als ouderwets realistische tranches de vie, maar de vertelwijze is niet simplistisch chronologisch.

Die aanloop naar het moment, of beter: naar het beslissende moment, het moment waarop je nog terug had gekund, is volgens het zinstuk na de komma 'gorgelend weggelopen in de trechter van het geheugen.' Wat, zo luidt mijn probleem, voegt dat beeld toe aan de reeds voor de komma geleverde informatie dat de aanloop is verdwenen uit of nooit is terechtgekomen in het geheugen?

Ten eerste: dat het 'gorgelend' gebeurde. 'Gorgelen' is volgens het Woordenboek der Nederlandse taal 'een klokkend geluid maken door eene vloeistof, door middel van uitstromende lucht, achter in de keel in beweging te houden (en op die wijze de keel te spoelen).' Bij gorgelen verdwijnt er dus geen vloeistof, loopt er geen vloeistof door de keel weg; die vloeistof wordt daar achterin juist in beweging gehouden. De metafoor, met als kern dat de aanloop zich als een vloeistof gedraagt, zegt het tegendeel van wat voor de komma nog de kennelijke bedoeling was van de zin.

Ten tweede: dat het geheugen als een trechter is. Past goed bij die vloeistof, maar wat zou 'de trechter van het geheugen' kunnen zijn? Ik denk bij nader inzien niet dat hier sprake is van een vergelijking zoals in 'Een boom van een kerel' of 'De kluis van mijn hart' waarbij de lengte van een vent of de veilige beslotenheid van iemands hartstocht wordt vergeleken met de lengte van een boom respectievelijk de solide ontoegankelijkheid van een bankkluis. Het geheugen is toch wel wat meer dan alleen maar een doorgangsmiddel van les chose de la vie vanuit de werkelijkheid naar het niet-zijn? Misschien is de trechter hier metonymisch gebruikt als aanduiding voor de taps toelopende ingang tot het geheugen; maar dan is hij juist een hulpmiddel om de aanloopgegevens naar het moment zonder morsen in het geheugen over te schenken. Als door zo'n trechter iets 'wegloopt', komt het juist in het geheugen terecht, terwijl voor de komma staat dat 'de aanloop' niet in het geheugen is opgeslagen.

Ik snap deze beeldspraak niet, vanuit welke hoek ik er ook tegenaan kijk.

Wachtend op hulp, stel ik een alternatief voor als tijdelijk lapmiddel:

De aanloop naar dit moment is opgelost, klokkend verdwenen door de strot [of: in de bodemloze zinkput] van de vergetelheid.

'Klokkend' is een klanknabootsend woord is dat zowel met vloeistof als met het verstrijken van de tijd verbonden kan zijn.

P.S.
Op de website van de schrijfster las ik lof, naar aanleiding van Niets is gelogen, voor haar metaforiek, uit onverwachte hoek; ze citeert Hugo Borst, die ik nog niet kende als literair criticus, die ergens gezegd heeft: 'Sacha Bronwasser is de koningin van de metafoor.' Op de website van haar uitgeverij staat nagenoeg hetzelfde citaat, eveneens zonder bron: 'Sacha Bronwasser is wat mij betreft de koningin van de metafoor.' Dat klinkt al wat minder ver reikend. En misschien bedoelt Borst dat ze wat hem betreft wat veel metaforen en vergelijkingen gebruikt?

Iets anders, maar wellicht verwants. Tijdens het herlezen van dit debuut, ben ik ook wat gaan rondlezen in recensies, voor zover die niet achter betaalmuren verscholen gaan (een mens moet zorgvuldig omgaan met z'n pensioen). Toen werd ik door Yolanda Entius in Trouw met de neus op de feiten gedrukt. Gala zit in het eerste deel van de roman wat te rommelen met de datum van de opening van de tentoonstelling. Ergens in het voorjaar zou die geweest zijn, in maart of zo... terwijl ze helemaal aan het begin van de roman, aan het begin van haar eigen relaas, meer in het bijzonder: met de ontvangst van de rouwkaart van een van de personages, precies uitrekent hoe lang die Pé Derkinderen nog had geleefd na de avond van de dag van de opening van de tentoonstelling: 'Vijf jaar en negentien dagen', is het resultaat van het rekenen. Ze moet dan nog weten dat de opening plaatsvond op 25 mei 2013. Is haar dat even later dan ontgaan?

'Niet het geheugen rommelt hier maar wat aan', zegt Entius,  'de verteller doet het.' Opmerkelijk is het zeker. Nadrukkelijk vertelt Gala dat ze op 'maandag 17 juni' de enveloppe met het overlijdensbericht van de mat raapt. Vervolgens vertelt ze niet dat ze dat bericht ook daadwerkelijk leest, maar kennelijk deed ze dat wel, want ze weet dan immers pas dat Pé is overleden. Maar later die dag 'voert' ze 'de naam in', zoals ze zegt; een vreemde formulering, maar kennelijk gebruikt ze 'Pé Derkinderen' als zoekterm op de computer, want daarna staat er dat vervolgens 'boven aan de lijst resultaten een rouwadvertentie staat.' Niet 'de' maar 'een' rouwadvertentie, trouwens. Dan volgt de tekst van die digitale of gedigitaliseerde rouwadvertentie, waarop als enige tijdsaanduiding onder de naam van de overledene staat: '1954-2018'. Vervolgens vertelt Gala:

Ik staar een tijdje naar de letters. De advertentie is vandaag verschenen in De Standaard. Pé overleed op 13 juni.

Het is volkomen onduidelijk waar ze die precieze datum aan ontleent. 'Vandaag' is 'maandag 17 juni'. Drukt De Standaard rouwadvertenties altijd exact vier dagen na iemands overlijden af? Lijkt me sterk. Ik had aan dit gerommel geheel geen aandacht besteed, geboeid als ik was door het zich ontwikkelende weefsel van gebeurtenissen, herinneringen en reconstructies dat deze roman dan nog is, op 1% van het totaal; ik zat nog tot over m'n oren in de expositio van deze tragedie en kon belangrijke en onbelangrijke informatie nog niet scheiden.

Nog op de avond zelf, die in deze roman centraal staat, is ook Fatima, de vriendin van Gala, aan het rommelen met de datum en vooral de tijd: ze wil meedoen aan een wereldwijde meditatie (ik moet zeggen: niet iets waar mijn aandacht van wakker schiet) en ze moet daarom op de juiste tijd 'inloggen' op het 'portaal'; volgens mij is dat van belang bij astrologisch-achtige fenomenen, maar het duurt nogal een tijd voor Fatima erachter is hoe laat dat moet zijn (21:12 uur, om precies te zijn, en niet ongeveer half negen, wat ze aanvankelijk dacht). Maar haar onduidelijkheid kan te maken hebben met, exponent zijn van de onhebbelijke onduidelijkheid van de menselijke herinnering waar de roman over gaat.

Een stapje hoger op de ladder van de willing suspension of disbelief is het, om ook het lückenhafte karakter van zowel de vertelling als de extradiëgetische vertelster te zien als onderdeel van de uitbeelding van de thematiek. Voeg daar nog bij dat voorafgaand aan de romantekst vermeld wordt dat dit 'boek [...] zijn oorsprong [vindt] in een gebeurtenis uit 2013, maar [...] een werk van fictie' is, en het spiegelpaleis is compleet. Je komt jezelf, als rommelige lezer, er ook nog eens tegen.


PPSS
'Toen ik twintig was overleed mijn vader. [...] De telefoon ging op 30 december 1999'; '"Tante Roos is hier," raspte mijn moeder. "Kom naar huis." // Het nieuwe jaar brak aan, mijn eenentwintigste verjaardag kwam en ging en toen was de begrafenis.' (laatste onderdeel van het hoofdstuk 'Gala' in 'deel II a: avond'); dat moet dus ergens in de eerste week van januari 2000 zijn geweest.

Dertien jaar later, op 'de' dag van deze roman, 25 mei 2013, memoreert Gala: 'Ik ben vijfendertig jaar, dit zijn nog steeds mijn glory days.' (hoofdstuk 'Maxim' in hetzelfde deel).

Opmerkelijk: ze zou pas 34 moeten zijn geworden ongeveer vier maanden voor 'de' dag.

Er tekenen zich nu toch enige scheurtjes af in de suspension of my disbelief.

donderdag, mei 04, 2023

Nog weer eens stijl, nu een vergelijking

Begonnen aan Niets is gelogen (e-boek, Ambo | Anthos, 2019), het debuut van Sascha Bronwasser, omdat haar tweede roman, Luister (2023), me goed was bevallen. En ik had weer nood aan iets goeds, want na bladzijdenlanggerekt gapen was ik in slaap gesukkeld bij het boekenweekgeschenk van 2023, De eerlijke vinder, waarin Lize Spit een negen- of tien-jarig joch (waarom toch?) zonder wereldwijsheid een boekje vol laat focaliseren met een zeer doorzichtige spanningsboog over een met de haren erbij gesleept Kosovaars vluchtelingetje van weinig meer jaren ouderdom dan de (anti-)held, in een vertelling die opzichtig – lekker retro – in de tijd is geplaatst van nog non-digitale telefonie en flippo's in Smiths' (had je toen nog) chipszakken. Achteraf snap ik niet dat ik het gehaald heb 67 bladzijden in dit gemakzuchtig in elkaar geknutselde cpnb-flippo-encyclopedietje te lezen.*

Bronwasser daarentegen had me meteen weer bij de leeslurven. Anders dan Spit, die alleen maar handelingen en gedachten van personages op papier zet zodat ze allemaal kloppen, besteedt Bronwasser ook aandacht aan haar taal, haar stijl, en werpt af en toe een prikkelende metafoor of vergelijking in de leesring. En waar gehakt wordt, vallen spaanders. Ik citeer er een.

Alles begint bij het binnenrijden van Kortrijk en het zien van de Leie, die zich door de stad snijdt als een mes door een plak paté.

Om bij het eind te beginnen: waarom paté, behalve omdat het lekker allitereert met 'plak'? Is er een speciale relatie tussen paté en Kortrijk? Google biedt me niets anders dan het café Paté aan de Pottelberg 189 aldaar, maar daar lijkt Bronwassers me niet op te doelen. Misschien is het omdat 'boter' te afgezaagd was, en 'paté' net zo pasteus is (als het geen al te grove paté is). Akkoord, dat kan er best mee door.

Maar als ik via datzelfde Google de Leie door Kortrijk zie stromen, komt er weinig reden tot associatie in mij naar boven met een snijdend mes, laat staan met een messcherpe scheiding van linker- en rechteroever, laat staan met een rechte snijlijn. Toch bedoelt Bronwasser dat laatste, want, niet vertrouwend op de kracht van haar eigen vergelijking, zo lijkt het, voegt ze er dit nog aan toe:

Meer een kanaal dan een rivier.

Een onvolledige, zelfstandige zin, die niet duidelijk of eenduidig syntactisch met de voorgaande is te verbinden. Ik kom niet verder dan dat de Leie er '[m]eer' als 'een kanaal dan' als 'een rivier' uitziet; de onvolledige zin zou je als een achterop geplaatste bijwoordelijke bepaling van hoedanigheid kunnen opvatten, zodat ze ook betrekking heeft op het zogenoemde snijden dat de Leie hier schijnt te doen. Die zin zou ook als een bijstelling achter 'Leie' geplakt kunnen worden, en dan is het een bijvoeglijke bepaling. Lood om oud ijzer? Knollen voor citroenen?

Nu begint de hele formulering van de beschrijving te verkruimelen, want de Leie 'snijdt' niet de stad in tweeën volgens de tekst, de Leie 'snijdt zich' door de stad. Wat is dat: zich door een stad snijden, en wat is dan zich, zoals een mes door de paté, door een stad snijden? Wat doet een mes anders dan snijden? Wat kan je met paté anders doen dan snijden? En dan bedoel ik: een plak in de bak met paté lossnijden. Daarna komt het smeren of een hoekje van de plak afsnijden om te snoepen. Ik weet niet waarom iemand ook nog eens door een plak paté zou willen snijden. 

Voorin het boek staat dat het verhaal is gebaseerd op een gebeurtenis uit 2013, maar dat het een werk van fictie is. 'De erin opgevoerde personages en locaties bestaan niet als zodanig.' Ik zal dan maar aannemen dat door het gefictionaliseerde Kortrijk in dit boek een (vrijwel) kaarsrechte, gefictionaliseerde Leie stroomt, en ben benieuwd of dat snijdend mes, dat naar mijn smaak al te los in deze beschrijving zit, later nog ergens wordt ingezet.


* Gisteren heb ik toch maar doorgebeten en het restant van het geschenk gelezen. Dat leverde niets nieuws op, of het moet een wendinkje in het plot zijn waar niemand wakker van ligt. Van enige deernis met het leed van de Kosovaarse vluchtelingen is geen sprake: het zijn volgens dit verhaal lui die een ongeluk van een autochtoon ensceneren om de reddende held uit te kunnen hangen en een verblijfsvergunning te kunnen incasseren. Jimmy blijft leven, Tristan sterft. Fijn geschenk, leuke propaganda.

donderdag, april 13, 2023

Het edele handwerk - II

In een grijs verleden plaatste ik op Textualscholarship.nl een hulpvraag in verband met de collatie van eerste druk(ken) van Marsmans Tempel en kruis (1940). Het plan om daar 'iets' mee te doen, is destijds wel in de steigers en grondverf gezet maar daarna langzaam doch definitief in duigen gevallen. Het vak evalueerde en de aandacht voor de (drager en de staat van de) tekst verdween naar de achtergrond, net als die voor (historisch-kritische) edities en misschien ook wel de editiewetenschap als subdiscipline van de neerlandistiek.

Beter laat dan nooit is er nu toch een reactie op mijn oproep gekomen, de eerste in vele jaren, en nog wel een uit doorgaans betrouwbare bron, namelijk: de eigen maniakale koker. Crowd editing is nooit tot volle wasdom gekomen, althans niet naar aanleiding van mijn bezielende hulpvraag.

Bij mijn afscheid van de Universiteit Utrecht ontving ik van oud-studente JoJanneke van der Kaa een exemplaar van de eerste druk van Tempel en kruis (we analyseerden het werk in de cursus Literaire teksten). Dit onverwachte en zeer welkome geschenk ziet er anders uit dan het andere gebonden exemplaar ik al bezat. Het heeft (eveneens) geen stofomslag (meer), maar is gehuld in een slap licht-oranje-bruin linnen kaft, vergelijkbaar met de gebonden exemplaren van de officiële tweede (1940) en derde druk (1941) in mijn collectie (het mooiste vind ik overigens een gebonden derde druk met een zwarte linnen band en een wit papieren stofomslag).

Met dit tweede exemplaar van de gebonden oplage van de eerste druk op het bureau kan ik eindelijk aan mijn eigen verzoek voldoen en een identificatie ondernemen om te zien of dit exemplaar inderdaad behoort tot de echte eerste druk of dat het meer lijkt het op de niet-officiële tweede 'eerste' druk die ik meen te kunnen onderscheiden op basis van druk- en zetfeilen. Ik hoef niet mijn waslijst met kenmerken van de echte eerste druk hier niet over te nemen van mijn historische oproep op Textualscholarship.nl. Het resultaat van de autopsie is duidelijk: dit is zonder enige twijfel geen exemplaar van de echte eerste maar van de tweede 'eerste' druk, beter gezegd: van de gecorrigeerde eerste druk. De eerste eerste druk van Tempel en kruis is en blijft een zeldzaam exemplaar in mijn verzameling. De tweede 'eerste' druk, de tweede en de derde 'druk', of ze nou gebonden zijn of ingenaaid, lijken allemaal van hetzelfde zetsel getrokken te zijn.


woensdag, maart 29, 2023

KletsGPT

Nu ik niet meer actief bij onderwijs betrokken ben, lees ik de berichten over ChatGPT minder gretig dan mijn nog actieve oud-collega's, maar helemaal onaangeraakt laten ze me niet. Het is een beetje melig, maar ik kon het niet laten en vroeg ChatGPT naar de verschillen tussen de oorspronkelijke roman Everything I Found on the Beach van Cynan Jones en de redux-versie van die roman (die alleen in de Nederlandse vertaling is verschenen).

Hoewel het programma zich wel degelijk verontschuldigt als iets buiten zijn bereik ligt, heeft het de neiging om maar wat aan te fantaseren. Dat bleek me toen ik wat andere vragen eerst had gesteld, waarop het eenvoudigweg geen antwoord kon formuleren, bijvoorbeeld over de kwaliteit van de dialogen in de musical Checkpoint Charlie, die nu door Nederland reist. Zo ver kan het programma nog niet in de databanken graaien.

Het antwoord op mijn vraag naar de belangrijkste verschillen tussen Everything I Found on the Beach en de redux-versie van die roman luidt, zonder verontschuldiging over te geringe 'kennis': 

Cynan Jones's novel "Everything I Found on the Beach" was originally published in 2011, and a revised and expanded edition, often referred to as the "redux version," was published in 2020.

The main differences between the two versions are as follows:

Length: The redux version is longer than the original, with approximately 30,000 additional words.

Structure: The redux version has a slightly different structure, with additional chapters and changes to the order of some existing chapters.

Narration: The original version is narrated entirely in the third person, while the redux version includes first-person sections from the perspective of different characters.

Setting: The original version is set entirely in Wales, while the redux version includes additional settings in Scotland and Spain.

Characters: The redux version includes additional characters and expands on the backgrounds and motivations of some of the existing characters.

Overall, the redux version of "Everything I Found on the Beach" is a more expansive and detailed version of the original, offering a deeper exploration of the themes and characters introduced in the original.

Het jaar van publicatie van de roman is goed, maar dat kan iedereen op z'n klompen vinden op het internet. De redux-versie is echter alleen in een Nederlandse vertaling verschenen en wel in 2023. Het kletsprogramma slaat er maar een slag naar en de plank meermaals mis.

De Engelstalige roman uit 2011 heeft in de paperbackversie van 2014 volgens Bol.com 221 pagina's, in de paperback-versie van 2016 bij Amzon.com zelfs 248, wat er aanzienlijk meer zijn dan de 131 pagina's die de vertaalde redux-versie telt. Het verschil in structuur is zo vaag geformuleerd, dat het haast niet niet kan kloppen. Wat ChatGPT zegt over de Narration is volledig onjuist. Ook de info over de Setting is uit een heel dikke artificiële duim gezogen. En het aantal personages is in de redux-versie juist... hoe zal ik het verwoorden: gereduceerd.

Zijn er echt docenten die zich door dit soort blabla om de tuin laten leiden? Ik kan dat maar niet geloven.


P.S.
Interessant is het geheel andere, meer bescheiden antwoord dat ik kreeg toen ik aan mijn initiële vraag alleen het woordje 'Dutch' toevoegde voor 'redux-version'. Ik kan niet zeggen dat het antwoord nu inhoudelijk veel beter is:

As an AI language model, I do not have access to specific information about the differences between different versions of a novel unless they are widely reported or documented. However, I can provide you with some general information about the concept of a "redux-version" of a novel.

A "redux-version" of a novel generally refers to a revised or updated version of the original work. This can involve changes to the story, characters, dialogue, or other elements of the book. The specific changes made to the book will depend on the author and the reasons for creating the new version.

In the case of Cynan Jones's novel "Everything I Found on the Beach," I am not aware of any official "redux-version" of the book being released in Dutch or any other language. However, it is possible that a new edition of the book was released in Dutch with minor changes or updates to the original text. If you have more specific information or context about the version of the novel you are referring to, please let me know and I will do my best to provide you with more accurate information.

Paginanummers

Als ik e-lees, ben ik nog steeds iets van mijn gebruikelijke, op decennia lezen-van-papier gebaseerde oriëntatie kwijt: het gevoel van het aantal bladzijden links en het aantal bladzijden rechts. Ik weet dan niet hoeveel ik in een roman of dichtbundel gelezen heb, of hoeveel er nog te genieten is (of hoeveel ik nog ‘moet’ als het boek toch tegenvalt). Het is ook figuurlijk een Fingerspitzengefühl: het is alles behalve exact, maar de sensatie van 'veel' of 'weinig' is toch heel overtuigend; het is bijvoorbeeld een goede basis voor het besluit: ‘Ik neem het dit weekend lekker mee, en dan begin ik maandag aan een andere’.

Als ik e-lees, loop ik voor elk boek toch even naar de fysieke boekhandel om te zien hoe dik het 'in het echt’ is: Bint-achtig, novellig, standaard-klassieke-romantisch, Bonita Avenue-lijk of De man zonder eigenschappen-esk, die orde van groottes (projecten als Het bureau en De tandeloze tijd zijn au-dehors categorie). Al tastend verdisconteer ik daarbij optisch blad- en zetspiegel, lettergrootte en -type, alsmede de grovere opmaak, dus kop- en staartwit, blanco of titelpagina’s tussen hoofdstukken en andere onderdelen.

In mijn e-leesapparaat staat onder- en bovenaan het scherm netjes aangegeven hoeveel procent ik heb gelezen van het geheel, respectievelijk hoeveel bladzijden van het onderhavige onderdeel, en elders kan ik nagaan hoeveel uur ik al heb ge- en nog moet lezen als ik op dezelfde manier doorkachel. Maar dat zijn allemaal maten die me nog steeds niets zeggen. Ik heb er in de decennia van het volledig papieren leestijdperk nooit op gelet, en ik vrees dat dit mijn status quo is. Helaas is het digitale paginaäantal nogal nietszeggend, omdat je in een e-lezer (het woord is in het Nederlands net zo ambigue als in het Engels) de marges en het lettertype en de lettergrootte naar believen kunt variëren; mijn e-lezer rekent me bovendien wel het aantal bladzijden per hoofdstuk voor, maar zonder duidelijk te maken wat in ieder boek wel en niet als hoofdstuk is geprogrammeerd (ik ben het vaak niet eens met de impliciete aannames van dat ding). 

Mijn hypothese is dat er geen digitaal alternatief bestaat voor die tactiele sensatie.

Vandaag begon ik met het herlezen van een niet omvangrijke, papieren roman die heel mooi is uitgegeven, want het is een uitgave van Koppernik: Cynan Jones, Alles wat ik vond op het strand. Vertaald door Manon Smits. (2023) Excursie: de vertaling is gebaseerd op een redux-versie die de auteur exclusief voor de Nederlandstalige markt heeft gemaakt; een vroege versie van het verhaal stuurde Jones in 2009 naar zijn Welshe uitgever, die om een uitwerking ervan vroeg; in 2011 verscheen bij Parthian de roman Everything I Found on the Beach. Maar anno Corona c.q. Lock down wilde Jones zijn oorspronkelijke, geheel eigen verhaal als het ware terugvorderen, wat in 2021 heeft geleid tot die redux-versie van zijn roman, waarvan nu de Nederlandse vertaling is verschenen.

De roman bestaat uit tal van kleine eenheden: een motto, een proloog, vijf delen, elk met een titelpagina, die op hun beurt weer bestaan uit door kop- en staartwit gescheiden onderdelen, die doorgaans niet meer dan twee bladzijden beslaan, of zelfs maar een enkele bladzijde, die hooguit voor de helft vol is gezet met worden; enkele passages eindigen met een asterisk, de meeste niet - het verschil tussen die onderscheidingen markeert een inhoudelijk onderscheid. De vertelling heeft dus een mozaïekstructuur, maar kent ook een lange verhaaldraad, vermengd met een tweede draadje, en heeft een nogal overrompelend slot.

Het lezen van Alles wat ik vond op het strand is een spannende zoektocht (ogenschijnlijk weinig zeggende details, doen er bij nader inzien wel toe), die mij uitdaagde tot een tweede lectuur, die me veel voortschrijdend inzicht bood in het verhaal, dat genoteerd is in nogal droge zinnen, waarvan de meerderheid een eenvoudige, standaard hoofdzinsbouw heeft. Die uitgebeende stijl is typerend voor Cynan Jones.

Waartoe, dacht ik, terugblikkend op de roman en mijn leesgang, dienen eigenlijk de paginanummers in een literaire tekst? Welk nut hebben die voor de lezer? Ze lijken de typografische secondewijzer of metronoom van de continuïteit van het verhaal en de thematiek. Maar als de tekst werkelijk goed in elkaar zit, en je van meet af aan bij je lezerslurven grijpt, is dat attribuut volkomen overbodig; en wil het niet vlotten met de lectuur, dan is de helpende hand van de paginanummering een loos gebaar. De spanning in de tekst en je eigen nieuwsgierigheid brengen, als alles goed is, de samenhang en orde als het ware vanzelf gedurende de lectuur aan het licht.

Tweede wet van de Vroolijke Hermeneut: een literaire tekst die niet zonder paginanummers kan, deugt niet. Weg ermee.

zaterdag, maart 25, 2023

Rechts van hem?

Misschien zijn er mensen die zich moeilijk kunnen voorstellen dat er zich nog regerende politici rechts van minister Hugo de Jonge van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening bevinden, maar het gaat in het fotobijschrift, dat ik hier even onder de aandacht wil brengen, niet om posities in het politieke spectrum. Het gaat om een handreiking bij de identificatie van mensen die op de foto te zien zijn.

Als je deze bomvolle persfoto icono-semiotisch analytisch 'leest', zie je achtereenvolgens:
1. een mevrouw die er niet toe doet want er hangt een enorme filmcamera voor haar hoofd;
2. een filmcameraman die er niet toe doet, want hij houdt een enorme filmcamera voor zijn eigen hoofd;
3. Hugo de Jonge, die er ook niet veel toe doet want zijn tronie staat niet in focus op deze afbeelding van de werkelijkheid (overigens conform de politieke werkelijkheid, want wat is er nou wel helder aan het beleid van deze man, zowel nu als in het verleden);
4. een perspectivisch vakkundig gedecapiteerde journalist met een microfoon, die er niet toe doet (de journalist net zo min als zijn microfoon) want hij interviewt de vice-premier;
5. een piepklein marechausseetje dat er niet toe doet want te klein, te ver op de achtergrond (letterlijk en figuurlijk) en net zo onscherp als onze Huug;
6. met lege handen: Wopke Hoekstra, een ongeschoren en door een lentebries gecoiffeerde CDA-prominent, tevens vice-premier van ons verwarde landje;
7. een piepklein, onscherp mevrouwtje op de irrelevante achtergrond, dat er dus niet toe doet;
8. een nog pieperklein, onscherp mevrouwtje op de irrelevante achtergrond, dat er dus nog meer niet toe doet dan dat andere mevrouwtje;
9. een manspersoon, op de rug gezien, focaal even onscherp als Hugo de J., van achteren bezien, dus klaarblijkelijk zeer irrelevant, maar storend in beeld, want Hugo, grimlachend, lijkt hem uit zijn entourage te willen bewegen.

Enige sturing bij het lezen van deze rommelige foto lijkt inderdaad wel nodig. In de Volkskrant van 25 maart 2023 staat er dus onder:

De CDA-ministers Hugo de Jonge (vooraan, midden) en Wopke Hoekstra (rechts van hem) komen vrijdag [moet zijn: kwamen vrijdag] aan op het Binnenhof voor de wekelijkse ministerraad. David van Dam

Was ik even vergeten: Hoekstra is ook minister van Buitenlandse zaken. Om hem heen is deze spontane foto geënsceneerd: hij staat volgens het onderschrift niet in het midden (en de gulden snede geldt niet in de fotojournalistiek) maar hij is de enige persoon die scherp op de foto staat (afgezien van de irrelevante bijfiguren 1, 2 en 4).

Wie beter uit zijn/haar/hun ogen kijkt, ziet dat er feitelijk niemand in het midden van de foto staat. Optisch en fotografisch staat Hugo (de ironie kent geen grenzen) links van het midden en Wopke rechts van het midden; samen vormen zij de spil van de foto. Intrigerend daarbij is dat Hugo van links van het midden naar rechts, en Wopke van rechts van het midden naar links kijkt zonder dat deze twee spilfiguren elkaar aankijken. Zo is het, en niet anders. Alleen als je niet van deze aarde bent, zou je alle optische eer kunnen geven aan de microfoon die vastgelegd is in zijn pendelen tussen de personages 4 en 6.

Maar nu komt de taal om de hoek kijken en de verhaalanalyse. Staat Wopke Hoekstra nou echt 'rechts van hem'? Met 'hem' wordt verwezen naar 'Hugo de Jonge'. Maar het lijkt net of daarmee niet alleen verwezen wordt naar een persoon op het platte vlak van het plaatje, maar ook naar de mens Hugo, naar Hugo als focalisator. Hugo wordt het eerst genoemd in het onderschrift, Hugo staat helemaal vooraan op de foto, Hugo heeft als enige het verblindend witte boord gemeen met de als enige scherp afgebeelde Wopke.

Hugo's ervaringen lijken hier te worden verteld. En dan moet de analyse anders luiden: alleen het ongewenste personage 9 staat 'rechts van hem'. Je ziet toch dat Hugo zijn rechterarm schuin naar voren en opzij uitsteekt om die gast uit beeld te bewegen? En Hugo heeft zijn rechterzij naar de lens gewend van David van Dam (de dienst doende Volkskrant-fotojournalist). Wopke, die scherp is afgebeeld en zich dus op een andere afstand van zowel David als Hugo moet bevinden, stond op vrijdag 24 maart 2023 links van Hugo op het Binnenhof.

De eerste wet van de Vroolijke Hermeneut: als de foto niet liegt, slaat het onderschriften de plank wel mis.

dinsdag, maart 21, 2023

Boekopmaak, meer in het bijzonder in digitale tijden

Het opmaken van een boek, de vormgeving van de tekst, het verzorgen van de materiële voorwaarden voor gedegen leesgenot is een vak apart, uitbundig gestoffeerd met gebruiken, tradities, geplogenheden, gewoontes (om nu eens niet te vervallen in het barbaarse do's and don't's). Zo is het doorgaans gebruikelijk (let op de nuance die ruimte voor variatie biedt) om de tekst van een roman, een verhalenbundel of bloemlezing, maar ook die van ieder hoofdstuk, of verhaal, of enig ander onderdeel van enige omvang te laten beginnen op een rechterbladzijde. Het is geen wet van Meden en Perzen. De tweede uitgave van Een pic-nic in proza bijvoorbeeld is gezet met veel minder wit tussen de teksten dan de eerste uitgave, waarin iedere bijdrage ruim afgescheiden is van de voorgaande door een titelpagina met een witte keerzijde.

Meestal staat de tekst op zo'n eerste pagina niet strak bovenaan de pagina, maar wat lager, al dan niet met een titel en/of een nummer erboven. Meestal gaat dat goed, maar in digitale versies van papieren boeken lang niet altijd. Ik ervaar dat laatste als storend. Ik vind het storend als het nummer en/of de titel van het volgende hoofdstuk direct onder de tekst van het voorgaande hoofdstuk staat. Dat ziet er zo uit:


en zo:


(en het kan nog erger: dat ook nog de eerste regel van het nieuwe hoofdstuk onderaan de pagina bungelt). Terwijl het zo zou 'moeten':


Het zal toch niet moeilijk zijn om een extra regel in het opmaakprogramma te schuiven in de geest van: 'als hoofdstuk afgerond, dan verder op nieuwe rechterpagina en eerste zoveel regels leeg laten'. En als ze dan toch bezig zijn, laat ze ook even voorkomen dat woorden op de meest idiote plaatsen worden afgebroken: één letter (plus leesteken) naar de volgende regel doorschuiven was in de tijd van WordStar al een onmogelijkheid. Kom op, zeg. Er staat 'kios-k.' prominent aan het eind van de eerste regel. Hoe lelijk kan je het maken?

In de digitale versie van het boek dat ik nu aan het lezen ben (nee, niet De man zonder eigenschappen) is het toeval, oftewel: een uitzondering als de opmaak van een nieuw hoofdstuk goed gaat, in de papieren versie is het gelukkig de regel; ik ben even met Freddy naar boekhandel Het colofon gelopen om het na te gaan:


Jammer genoeg heeft de boekverzorger op deze willekeurige plaats dan weer de regel uit het oog verloren (en daarmee het belang van de lezer) om de tekst(deel) te laten beginnen op een rechterpagina. Maar misschien is dat vooral een kwestie van smaak. Inderdaad, het kost wat meer papier, maar daar hoef je dan niets op te drukken, dat scheelt; zo duur zal dat toch niet zijn? Of toch? Want in hetzelfde gedrukte boek ziet het begin van de roman er zo uit:


De linkerpagina is liefdeloos volgepleurd met buiten-literaire rimram. Ten koste van het genot, van de rust voor het lezend oog, van de zin in en aandacht voor de boektraditie.

Ik had liever op een andere plek ontdekt dat Luister van Sacha Bronwasser (Ambo | Anthos, Amsterdam 2023) in twee maandjes al aan de vierde druk toe is. Begrijpelijk, want het is een werkelijk reuze intrigerende roman, die heel goed geschreven is en waarin het wel en wee van de hoofdpersoon op spitse, subtiele wijze gekoppeld is aan een aspect van de recente  noord-west-Europese geschiedenis (iets wat McEwan in Lessons mijns inziens niet gelukt is).

Ik ben Luister nu voor de tweede keer aan het lezen, en ik blijf erdoor geboeid; wat erger is: ik word erdoor gewezen op mijn rommelige lezen, want het wordt me duidelijk dat ik de les van een van de personages nog niet goed in mijn oren heb geknoopt: dat zien iets anders is dan kijken! 

Des te meer betreur ik het dat de digitale versie van Luister zo stiefmoederlijk, zo erbarmelijk op het e-lezerschermpje met digitale inkt terecht is gekomen (rommelen met de instellingen van het apparaat levert nauwelijks enige verbetering die niet opnieuw aan het toeval is toe te schrijven). Ik geniet er juist van als inhoudelijk mooie boeken er ook van buiten, materieel, formeel, technisch, (typo)grafisch goed verzorgd uitzien. Noem het een stugge uiting van mijn diepgeworteld, twintigste-eeuws, cultureel conservatisme, ik laat me dat niet dan met tegenzin afsnoepen.

Bij mijn bezoek aan Het colofon, in de Bakkerstraat te Arnhem, zag ik de Nederlandse vertaling door Manon Smits van Everything I Found on the Beach van Cynan Jones, een uitgave van Koppernik. Meteen gekocht want: ja hoor, perfect uitgevoerd.


Hap-snap 6 - De oer-Pic-nic

Het was niet tegen te houden. Ik móést even naar der Utrechtse bibliotheken bibliotheekste afdeling: de bijzondere collecties van de UB der UU, op de zesde verdieping van die zwarte kolos met direct achter de ingang een trap, met witte treden en zwarte stootboorden, waarvan de oogbollen in je kop gaan stuiteren als je erover omhoogloopt naar de ontvangstruimte. Maar ik móést even de eerste druk van de Pic-nic in het echt voelen en zien, inclusief het omslag van G.W. Dijsselhof.


Zalig daar, in die hooggelegen, koele stilte, met de gepaste parafernalia zoals een looïge gebedskrans om zonder huidcontact een dikke foliant open te laten liggen op een kussen dat zich gewillig laat plooien naar de stugge vormen van het kwetsbare cultuurgoed; geen tas mag mee de zaal in, wel m'n eigen exemplaar van de tweede uitgave der Pic-nic, een los notitieboekje, en een potlood, na-druk-ke-lijk géén pen, om notities mee te maken.




En ik tegen beter weten in hopen in de rug van de bundel, die de druk der tijden al jaren geleden niet meer kon weerstaan, een fragment van een Karelroman te zien schemeren (en niet weer een reep krantenpapier met advertenties).



De eerste eigenaar/lezer, of een van de eerste eigenaars/lezers (x/v/m) heeft dit Utrechtse exemplaar van hun/haar/zijn naam voorzien: C. Groneman (wellicht, misschien, of iets dergelijks; zo'n signatuur is altijd moeilijk te ontcijferen), eronder de datum: 5 Dec. 1896. Was het dan een ramsj-exemplaar als Sinterklaascadeautje?

maandag, maart 20, 2023

Hap-snap 5 - Ernest Downson

Lees ik met een half oog (kan je dat zo zeggen?) 'Een tocht door Londen', het enige stuk van Albert Verwey in de tweede uitgave van Een pic-nic in proza, word ik verrast door de hoeveelheid poëzie die Appie daarin bespreekt en vertaalt van een dichter, geboren in 1867 (dus twee jaar jonger dan hijzelf), waar ik nog nimmer van gehoord had (dat is nog allemaal tot daaraantoe), zoek ik die dus maar googlenderwijs even op en kom ik terecht in een zozeer van verval doortrokken levensloop dat je die gerust een levenssloop mag heten, een Lebenswerdegang van een schier archetypisch laat-negentiende-eeuws gehalte, waardoor je zou gaan twijfelen aan het realistisch niveau van de beschrijving ervan (zie onder andere hier): geboren in niet beroerde omstandigheden, afgebroken opleiding, dichterlijke roeping, onbereikbare (tevens ongepaste) geliefde, hashish, drank, zenuwziekte en een vroege dood... en dat laatste ook nog eens anno 1900! Zo een dichter mag je decadent noemen. En dan blijkt dat P.N. van Eyck, de brave, droefgestemde maar tot op het bot idealistische dichter waarop ik ooit ben afgestudeerd, in de Nieuwe gids van mei 1911 een stuk over deze poëet heeft geschreven, dat in deel drie van zijn Verzameld werk (Van Oorschot, Amsterdam, 1959) is opgenomen en als zodanig gewoon in mijn boekenkast staat (en digitaal in de DBNL).

Heet dit nog intertekstualiteit of is het interbibliothecariteit? Coïncidentie dan?

Hap-snap 4 - Lodewijk vs Jan

Echt hilarisch is Van Deyssels bespreking van Jan ten Brinks essay De oude garde en de jongste school (Jan Leendertz & Zn, Amsterdam, 1891). In de eerste zin spreekt hij van een zeldzaam 'smakelijk gedrukt' boek, en gedurende de vier volle bladzijden die de bespreking telt, gaat hij helemaal uit zijn lyrische dak met een tegen de grenzen van het sensitivisme aan schurkende weergave van zijn her en der ruimschoots uit de bocht gierende smikkel- en smul-impressies, opgewekt door... het drukwerk.

De slotzin:

Ik wilde alleen maar te kennen geven, dat het werkje van den heer Ten Brink zeer goed gedrukt is (te Nijmegen). 

Ten Brinks boek is niet opgenomen in de DBNL, deze recensie wel. Ik kan me voorstelen dat Ten Brink (1834-1901) zich, getergd, nog dagelijks omdraait in zijn graf. Of dat hij post mortem in zijn knekelvuistje lacht, want dat Van Deyssel zoo zeer over de rooye kan gaan door wat drukwerk en dan een tekst produceert die door de rustige beschouwer ervan haast niet te onderscheiden is van serieus bedoelde impressionistische annex sensitivistische bijdragen die in deze Pic-nics ook te vinden zijn, geeft wel stof tot nader denken over aard van dat aspect van het Tachtiger proza.

Hap-snap 3 - Tachtigers en lieden van dezelfde geaardheid

1. Wie zijn er met welk werk opgenomen in de Pic-nic in proza, eerste uitgave (1893)? Ik zet ze op alfabetische volgorde, zonder te letten op de graad van normaliteit en het onderscheid tussen literair en beschouwend proza, zoals dat wel in de tweede en derde uitgave wordt gedaan; en teken erbij aan dat al het werk uit de eerste Pic-nic eerder in de Nieuwe gids verschenen is.

Aletrino, A.
Een achtermiddag 
Een zang
Deventer, Ch. M. van
De wolken van Aristofanes 
Deyssel, L. van
De oude garde en de jongste school
Een huwelijksaanzoek
In de zwemschool 
Eeden, F. van
Boeddha (een dialoog)
Het krabbetje en de gerechtigheid
Erens, F.
De conferentie
Goes, F. van der
Over het zeggen van verzen
Looy, J. van
Een hengelaar
Kinderen
Prins, A.
Harold
Veth, J.
Derkinderen's processie van het H. sacrament van mirakel
Een portret
Egyptische kunst
Fransche schilderkunst in deze eeuw
Odilon Redon
Walter Crane
Whistler

Deze Tachtiger eregalerij bevat – zucht – teksten van negen mannelijke schrijvers.


2. Pic-nic tweede uitgave (1899-1900)
Legenda: ook in 1893; verdwenen t.o.v. 1893; toegevoegd t.o.v. 1893

Aletrino, A.
Een achtermiddag
Een zang
Boeken, H.
De kunst en de maatschappij
Coenen jr, F.
Een avond
Couperus, L.
Afgeschreven
Jules
Delang [ps. van (Gerrit) Jan Hofker]
Malle Jetje
Naaischooltje
Winter
Deventer, Ch. M. van
De wolken van Aristofanes
Deyssel, L. van
De koning der eeuwen 
De oude garde en de jongste school 
Een huwelijksaanzoek
In de zwemschool
Eeden, F. van
Boeddha (een dialoog)
Het krabbetje en de gerechtigheid
Johannes en Windekind
Emants, M.
Auteur
Erens, F.
De conferentie
De processie
Wind
Goes, F. van der,
Over het zeggen van verzen
Socialistische aesthetiek
Groeningen, A.P. van
De erfenis
Op de bewaarschool
Heijermans jr, H.
Kniertje
Eson's verhaal
Hora Adema, J.
De oude dokter
Hulzen, G. van
Bedelen
Een kamer
Laatste litanie
Kloos,  W.
Poëzie
Lapidoth-Swart, H.
Liedjeszangster
Looy, J. van,
Een dag met sneeuw
Een hengelaar
Kinderen
Meester, J. de
De klompjes
Netscher, F.
Herfst in het woud
Marietje Veenders
Oort, A. van
Germaansche dingplaats
Peaux, A.
In memoriam
Prins, A.
Harold
Robbers, H.
Intiem
Roosdorp, F.
Afscheid
Streuvels, S.
Een ongeluk
Verwey, A.
Swift-Gulliver
Een tocht door Londen
Veth, J.
Adolph Menzel
Derkinderen's processie van het H. Sacrament van mirakel
Egyptische kunst
Een portret
Egyptische kunst
Fransche schilderkunst in deze eeuw
Odilon Redon
Walter Crane
Whistler
Winkler Prins, J.
Schilders in het Gooi


De bende van Tachtig is in deze tweede Pic-nic uitgebreid (zeg maar gerust: verdrievoudigd) met maar liefst negentien auteurs, van wie twee vrouwelijke.


3. Pic-nic derde uitgave (1904) met markeringen van: herhaalde aanwezigheid, nieuwheid en afwezigheid t.o.v. de tweede uitgave.

Aletrino, A.
Een achtermiddag
Een zang
Hoe een roman geschreven wordt
Antink, M.
Holland
Berlage Nzn, H.P.
Over architectuur
Boeken, H.
De kunst en de maatschappij
Buysse, C.
De eenzame
Coenen jr, F.
Een avond
Couperus, L.
Afgeschreven
Jules
Delang,
Malle Jetje
Naaischooltje 
Winter 
Deventer, Ch. M. van
De wolken van Aristofanes
Deyssel, L. van
De oude garde en de jongste school 
De koning der eeuwen
In de zwemschool
Zondag-ochtend
Eeden, F. van
Boeddha (een dialoog)
Het krabbetje en de gerechtigheid
Johannes en Windekind
Emants, M.
Auteur
Erens, F.
De conferentie
De processie 
Wind 
Everts, jr, J.
Een zondagavond
Goes, F. van der,
Socialistische aesthetiek 
Groeningen, A.P. van
De erfenis
Op de bewaarschool
Hartog, H.
Een transport
Heijermans jr, H.
Kniertje
Eson's verhaal
Hora Adema, J.
De oude dokter  
Sangre! Sangre! Mas caballos
Hulzen, G. van
Bedelen  
De stichtelijke wagen
Een kamer
Laatste litanie
Kloos,  W.
Poëzie
Lapidoth-Swart, H.
Liedjeszangster
Looy, J. van,
De regenboog
Een dag met sneeuw
Een hengelaar
Meester, J. de
De klompjes 
Het aanzoek
Moerkerken jr, P.H. van
Het woud van het eeuwige verlangen
Netscher, F.
Herfst in het woud
Marietje Veenders 
Oort, A. van
Germaansche dingplaats
Peaux, A.
In memoriam
Prins, A.
Harold
Querido, I.
Markt-kunstenaar
Reddingius, J.
Eerste avond
Reyneke van Stuwen, J.
Trouwen
Robbers, H.
Intiem
Roosdorp, F.
Afscheid
Schendel, A. van
De schoone jacht
Steenhoff, W.
Een levensgril
Rembrandt
Streuvels, S.
Een ongeluk
Een speeldag
Verwey, A.
Een tocht door Londen 
Veth, J.
Adolph Menzel 
Derkinderen's processie van het H. Sacrament van mirakel
Egyptische kunst
Het begrip schilderij
Kunst en samenleving
Vijgh jr, S.G van der
Nachtfeesten
Winkler Prins, J.
Schilders in het Gooi


Onder de dertien nieuwelingen in deze derde collectie Tachtigers en Tachtigerachtigen zijn opnieuw twee vrouwelijke auteurs. Het schiet niet erg op zo. Maar we moeten natuurlijk niet vergeten dat er in dat grijze verleden door dr B. louter letterkundige maatstaven werden gehanteerd...