dinsdag, juni 25, 2013

Boek zonder prijs

Lijkt het erop, of is mijn blik vervormd: hoe goedkoper het boek, hoe minder het waard is.

Ik ken mijn Baricco, en verbaas me er dus niet meer over dat boeken door kranten of dergelijke gratis verspreid worden.

De NRC is een krant. Die krant doet zo veel aan cultuur (waartoe ook de literatuur behoort), dat ze er zelfs een speciale webwinkel voor heeft. Je kunt er boeken kopen, films, muziek, wijn, reizen en hoorcolleges, kunst en design en 'Eten & Koken'. Vergeet ik bijna 'Buiten & Binnen'.

De suggestie is dat die spullen goed zijn, want gerelateerd aan een krant die je leest omdat je die goed vindt. Een logica die ik niet volg, want in die krant schrijft ook een zelfbenoemde dwarsligger als Y. van 't H., maar als ik iets in de NRC mag aanwijzen wat het niet haalt bij het niveau van de rest van de krant, dan zijn het wel die blaaskaakstukjes.

Een andere suggestie is dat je voor die goede spullen relatief weinig geld kwijt bent, en/of dat die spullen bijna nergens anders te krijgen zijn. Er staat immers op de website dat het gaat om 'Unieke NRC producten'. En je kunt er profiteren 'van de voordelen' die het lidmaatschap van de vernieuwde (!) wijnclub biedt. Ben je al geabonneerd op de krant, moet ook nog wijnclublid worden, maar dan krijg je voordeel. Zoals een gratis NRC-rood kussentje voor op je 'Pastoe krukje' (ik neem de NRC schrijfwijze voor het identificerend gemak maar even over).

Stel nou dat je 'The Complete works' van Britten koopt ('van € 255,00 voor € 209,00'), dan krijg je er 'GRATIS' bij wijze van 'Zomerspecial 2013' een boekje bij, een zo geheten dwarsligger, en wel Zomerhuis met zwembad, de 'Genreoverschrijdende roman van Herman Koch'. Je zal er maar mee gezegend worden. En nou maar hopen dat er geen prijsvraag aan verbonden wordt: 'Welk genre overschrijdt Koch met deze roman?'

Hoewel de grootte van het lettertje het leek te willen verhinderen, struikelde ik via een asteriskje in de advertentie over een clausuletje bij deze aanbieding: 'Niet van toepassing op bestellingen van Nederlandstalige boeken'. Aanvankelijk dacht ik dat hier een heel mooie, ouderwets volksopvoedende doelstelling achter stak; zo van: alleen om het aantrekkelijk te maken voor mensen die uit zich zelf nog geen Nederlandstalige boeken lezen. Maar neen, op de website luidt de clausule anders: 'Omwille van de Wet op de Vaste Boekenprijs geldt deze actie niet voor boekbestellingen.' En de actie loopt maar tot en met 20 juni 2013. En slechts zo lang de voorraad strekt.

Nou snap ik niet hoe vast een boekenprijs is, als je een twee jaar oud boek gratis weggeeft, dat alles behalve uniek is (google maar eens 'dwarsligger koch zomerhuis') en dat € 12,50 kost.

Boek en prijs

Vraag: wat maakt het uit, of je een materieel of een digitaal boek koopt? Antwoord: dat ligt eraan, of het het ene boek is, of het andere.

Zo moet De 100-jarige man [etc.] wel een waardeloos papieren flutproduct zijn (over de inhoud zeg ik niets), want het is slechts 51 (eenenvijftig) cent duurder dan de immateriële versie. Met andere woorden: zo'n 4% reductie op de prijs voor wie kiest voor het e-boek.

Kies je voor De Wertheims van Sylvia Tennenbaum (prachtige etymologische namencombi) (maar ik heb nog nooit van haar gehoord) dan levert het e-boek een voordeel van 42,84%. Kijk, daar zou ik dan eerder m'n geld aan uitgeven, als ik het boek louter zou bezien via het economische frame dat me door de advertentie op de neus wordt gezet.

Maar de ware digitale waar voor je e-geld krijg je pas met Stoner, want dat boek is digitaal maar liefst 62,45% goedkoper dan de papieren versie. In mijn geval staat daar weer tegenover dat ik het boek voordat ik op de helft was, verveeld terzijde heb gelegd; dus mijn winst zou nul geweest zijn als ik het papieren boek wel uit zou hebben gelezen, maar dat laatste geloof ik niet.

Economie en lezen hebben dus niets met elkaar te maken.

Maar wat ik me des niet tegenstaande afvraag: wat is in des boekenhemels naam de ratio achter de verhouding tussen de papieren en de digitale prijs als die in één advertentie al uiteenloopt van 4 tot ruim 62%?

vrijdag, juni 07, 2013

Roosbeef

Ik stond gisteren op de crosstrainer met Roosbeef. Nou ja: ik stond te crosstrainen met de muziek van Roosbeef in m'n doppen. Omdat ik dat wil. Eerst hoorde ik 'Hersens'. Da's niet prettig in de sportschool, want daar moet je die grijze dingen juist op nul zetten. Niet denken. En dat doet Roosbeef in dat nummer precies niet; nooit. Haar kop (d.w.z. de kop van het lyrisch subject) staat nooit stil. 'Toe maak het leeg in mijn hoofd', luidt de wanhopige, maar rustig uitgesproken, zacht en kalm gezongen wens.

Meteen daarna komt 'Sneeuw', minder zacht, minder rustig, fors voortgestuwd door een eenvoudige, stevig pulserende drum. 'Ik hou van de sneeuw', heet het daarin. Alles raakt erdoor bedekt, denk ik, niets is terug te vinden onder die sneeuw. Ik kan het niet anders horen dan in relatie tot het voorgaande nummer. En 'Sneeuw' eindigt in een bijna hysterisch geschreeuwde herhaling van de uitroep: 'Sneeuw me in', net te vaak, net te hoog, net te schel om nog aangenaam te zijn. En daardoor zo effectief. Mij althans doet het huiveren.

Loop ik dus veel te veel op die muziek te letten, dan dat ik nog cross kan trainen. En het ritme spoorde niet met mijn ideale RPM. Daar gaat m'n conditie; daar gloorde des niet tegenstaande mijn humeur.

zondag, mei 26, 2013

Overbodig maar genoeglijk

In principe, beter: door omstandigheden gedwongen, koop ik geen papieren boeken meer. Ze passen er niet meer bij. Alle boekenplanken in huis zijn bezet en overbezet (sommige oeuvres staan voor de helft regulier op de plank; de andere helft staat erachter, op de tweede rij). En als ik er dan soms toch nog één koop, moet er een ander voor wijken. Weg. Verdwijn, met pijn in het hart. Het huis uit, via digitale tweedehandshandel of - oh gruwel, maar soms is het niet te vermijden - oudpapierbak.

Afgelopen zaterdag zag ik in de kelder van De Slegte opeens dat mooie witte boek staan, Nieuwe veters, Robert Ankers verzamelde gedichten uit de periode 1979-2006. Lastige dichter: er was al een bundel met die titel, en in die bundel staat een gedicht met ook die titel, waarvan de dichter eens gezegd heeft dat het niet het titelgedicht is, als in: het thema-aanduidende, belangrijkste gedicht. En waarom die 27 jaar? Ah, oh, nee: de dichter werd toen 60. Ik heb alle bundels van Anker al, in eerste druk; ook de bundels die na 2006 verschenen. Anker is een van de weinige dichters van wie ik alles hebben wil, van wie ik alles lees, en van wie ik alles meerdere malen al las. Dit boek is een (vrijwel ongewijzigde) heruitgave van al die bundels tot en met 2006. Niets nieuws. Voor mij volkomen overbodig.

Toch gekocht. Zo'n mooi boek. Voor maar een tientje. En moet je zien: het omslag onder het kaft is prachtig paarsachtig blauw, met de naam van de dichter en de titel in blinddruk.

En sla je het omslag open, dan blijkt het bindwerk heel apart te zijn, met bindgaren in hetzelfde blauw als dat omslag. In het midden van elk van de dertien katernen lacht je dat blauwe garen weer tegemoet. En: het boek heeft een leeslint, ook blauw. Het is - terzijde opgemerkt - eenzelfde blauw als van het - losse - leeslint in Staphorst van Koos Geerds.

Nu moeten dus wel die losse bundels uit de kast. Maar ik doe ze niet weg. Deed ik ook niet met de losse bundels van Jellema en Van Eyck. Ze gaan naar boven, naar zolder, bij of in de studeerkamer. Daar is weliswaar evenmin plaats maar dat is een probleem dat opgelost moet worden, dat zich misschien wel (van)zelf oplost. Goede manieren staat trouwens al boven, op de eliteplank, de plank met epische poëzie. Dat gaat nog een heel gevecht om ruimte worden hier boven. Planknijd, ik voel het nu al zinderen.

Inmiddels las ik Waar ik nog ben weer. Stille poëzie met veel wit en poëticale symboliek ('Het potlood geeft contour aan / wat de radar nog niet ziet'). Een olijk, maar niet typerend citaat, het envoi van het laatste gedicht van de deels nostalgische afdeling 'Hout':

Hemelse prins, uw laatste zuidwester
doorstonden we glansrijk in polyester.
PS [28-05-2013]
'k Lees inmiddels verder. Kijk:

maandag, mei 20, 2013

Old School: leesclub

Op 18 mei 2013 nam ik deel aan een leesclub, aan één van de dertig leesclubben van die avond, georganiseerd door Das Magazin. Voortreffelijk georganiseerd. Vijfentwintig mens, voornamelijk vrouw, trouwens (ik denk eenentwintig), die zich wilden bezighouden met Dit blijft tussen ons, de tweede roman van Daphne Huisden. Mijn persoonlijke belangstelling voor deze roman was gewekt door haar debuut, dat op de shortlist had gestaan van de Academica Literatuurprijs 2012. De vakjury had voor dit boek gekozen, en Erik Menkvelds historische roman Het grote zwijgen en Een gat in de lucht van Erik Nieuwenhuis. Het publiek koos voor de historische roman, niet ten onrechte, want alle drie de genomineerde teksten waren goed, zij het op grond van uiteenlopende criteria; ik had een relatieve voorkeur voor Alles is altijd fictie, omdat het een on-gewone roman is, een verkennende roman, een comming of age-roman over een persoon van wie je niet eens weet of het een jongeman of een vrouw is; een roman met een goede sfeer, nee: een goed opgeroepen maar bizarre sfeer, met weinig maar intrigerende personages in een gesuggereerde, meer dan een uitgebreid geschetste ruimte (groot,oud huis, afgezonderde zolder, nieuwbouwkaantoorachtig iets er tegenover, dreigende sloop van het woonhuis, meen ik).

Van Dit blijft tussen ons kregen de leesclubleden ter voorbereiding een ongeredigeerde drukproef toegezonden. Dat maakte het clublezen extra intiem: het boek zou pas na de clublezing verschijnen. De organisatie wees erop dat de clubleden dus extra ruimhartig moesten lezen: er moest nog worden gevijld aan de nodige feilen. Achteraf kan ik wel opmerken hoe verbazingwekkend veel er in zo'n late redactiefase nog recht wordt gezet, op het gebied van komma's, grammatica, en verwarringen van muggen met spinnen, om maar iets te noemen; leuk om een blik in dat productieproces te krijgen. En tijdens de bijeenkomst vertelde Huisden nog het nodige over het ontstaan van de roman, het moeizame ontstaan.

De samenstelling van de leesclub was zeer diffuus: Jantine en Alleman deden eraan mee, en vooral gewone lezers. Er zat, geloof ik, geen professionele lezer bij. Ik was wat dat betreft een vreemde eend in deze bijt, net als de moderator, Wim Brands, en twee afgevaardigden van de uitgeverij van Huisden. Er was trouwens ook maar één persoon die Nederlands had gestudeerd, een Hongaarse die nu werkt als vertaalster. Geen idee waar al die studenten Nederlands blijven als er een boek in zicht komt.

Op merkelijk vond ik dat de lezers vrijwel allemaal geïnteresseerd waren in de personages, de personages als mensen. Dat die zo sympathiek was, dat die andere bij nader inzien alles behalve leuk was, en meer van dat soort observaties. En ook de vraag wat Huisdens favoriete personage was, duidde mijns inziens op een hoog gehalte psychologisch realisme in de belangstelling. Daarnaast was er veel aandacht voor de persoonlijke achtergronden van de roman. Een van de leesclubleden vatte deze visie Huisdens tweede roman samen onder de alternatieve titel: Alles is altijd autobiografisch.

Ik vind dat opmerkelijk, omdat ik maar niet geboeid kon raken door de personages; het zijn er maar liefst zestien (een heet Gizmo, zoals de vage man op zolder in Huisdens debuut). In zekere zin lijkt Samuel Cohen, een wannabe schrijver, centraal te staan: hij krijgt als eerste de volle personale aandacht, het vertelperspectief en de focalisatie, van de vertelinstantie, en hij ontbreekt in de lijst van namen die, onder de noemer 'De buren' voorafgaat aan het eigenlijke verhaal, als betrof het een lijst van personages in een toneelstuk; er wordt ook een plattegrondje bij gegeven, van de verschillende woningen om het plein heen als een scèneaanduiding (het boek is ook verdeeld in vier bedrijven). De vijftien anderen zijn dus zijn buren. Oh, nee: in de drukproef ontbreekt Sam in die lijst, maar niet meer in het uiteindelijk gedrukte boek. Vreemd enerzijds.

Maar die correctie is wel terecht, anderzijds, want mijns inziens is er niet een centraal personage. Het boek is juist een smeltkroes van krioelende, elkaar bespiedende en beroddelende figuren die enigszins geïsoleerd rondom dat plein wonen, een onvrijwillge gemeenschap vormen (met een buurtkroeg en eenmaal per jaar de gezamenlijke verjaardagsviering) en die allemaal over en weer zich ideeën vormen over elkaar, maar steeds het naadje niet van de kous te weten komen. Daar gaat het hele boek over, lijkt me: over de abstractie die mensen ondanks alles voor elkaar blijven.

Jammer dat de personages zelf ook wat abstract blijven, wel allemaal een tikje van een molen hebben, maar niet goed als karakters uit de verf komen en des niet tegenstaande, en niet gehinderd door een krachtige vertelinstantie, tomeloos mogen ouwehoeren in mono- en dialogen en hele lappen erlebte Rede. 'Het was heerlijk op zijn balkon, heerlijk alleen. En het was prachtig weer; niet te warm, niet te koud, een tikkeltje bewolkt, hier en daar wat opklaringen, zo nu en dan kans op een bui; een gebalanceerd klimaat.'

Na de grondige en boeiende bespreking van het boek met al die enthousiaste lezers en een verheugde Huisden was er een after in De Melkweg, waar dan alle dertig leesclubs samenkwamen. Ik struinde voor het eerste van mijn leven die tent binnen, sloeg linksaf naar waar het levendig leek en kwam terecht in een oord waar mijn zolen aan de grond kleefden van wat niet alleen maar bier geweest kon zijn en waar het orchideeënkwekerijheet was, alleen de schrijver C.W. mismoedig op zijn mobiel starend tegen de toog houvast vond maar bovenal geen zinnig woord meer te wisselen was met welke andere lezer of schrijver dan ook. Men liet er muziek horen. Ik was in een disco beland.

Om kort te gaan: bij het verlaten van het pand ontmoette ik toch nog die ene student Nederlandse taal en cultuur. Uit Utrecht ook nog. Van mijn werkgroep Modern Tijd zelfs. En hij was naar de leesclub van Bonita Avenue geweest. Bingo.

zondag, mei 12, 2013

De kloof tussen proza en poëzie II

Op het stofomslag heet dit boek red doc> maar volgens de Franse en de gewone titel, en ook op de rug, heet het Red Doc>. Geeft niet. Het is een mooi, gebonden boek, gezet uit de Minion, ruim 170 alleen boven en onder afgesneden pagina's; dat uiterlijk geeft een aangenaam vakkundige indruk. Voorop staat onder de auteursnaam: 'author of autobiography of red. Dat je het maar weet. De 'Note about the author' achterin is erg leuk: 'Anne Carson was born in Canada and teaches ancient Greek / for a living'. Ik geef het maar weer zoals het er staat, als betrof het een stukje poëzie, want het levert een mooi, ironisch enjambement op. Dat antieke Grieks doceren is kennelijk niet het grootst plezier in Carsons leven; ermee spelen en met de antieke Griekse verhalen aan de haal gaan in haar hedendaagse taal, dat is de spil.

Personages in dit werk zijn G (die in Autobiography of Red, zoals dat boek op de achterflap van Red Doc> heet, nog Geryon heette) en Sad, voluit: Sad But Great, die in dat andere boek nog Herakles heette, maar nu een zwaar getraumatiseerde oorlogsveteraan is, en Ida, die het frontispice getekend schijnt te hebben. Verder zijn er nog 4NO en CMO en een man in een zilveren smoking, die Heres blijkt te kunnen zijn; ook Io krijgt een rol, en zij is niet zozeer de door Hera uit wraak tot een koe omgetoverde geliefde van Zeus als wel een van de muskusossen uit de kudde van G, de zorg waarvoor hij even aan Ida had overgedragen, die dat weer deed aan aan ene M'hek; en dat allemaal in een niet nader aangeduid vulkanisch en glaciaal gebied alwaar een psychiatrisch ziekenhuis te vinden is als je tenminste de weg weet in een gletsjer en niet bang bent voor een vlucht ijsvleermuizen zo groot als broodroosters.

Maar is plotjes navertellen toch al niet mijn grootste hobby, in dit geval zou het ook niet helpen, want Red Doc> is een postmoderne karnton vol verhalende en essayistische en poëtische en tragische bestanddelen, inclusief een soort rei van Wife (meervoud) of Brain: 'we enter we tell you / we are the Wife of Brain / at this point you have little grounds to complain we say / a red man unfolding his wings is how it begins [...]'.

Het boek heeft een motto dat is ontleend aan Becketts Worstward Ho: 'Try again. Fail again. Fail better.' Je hebt het er maar mee te doen. Het geheel is opgedragen aan 'the randomizer'. De willekeurder? Of 'a device (of een mens met een dergelijke functie) that transposes or inverts signals or otherwise encodes a message at the transmitter to make the message unintelligible at a receiver not equipped with an appropriately set descrambling device', aldus 't internet. Gek genoeg doet het woord, dank zij Carsons uitbundige spelen met woorden en haar veelvuldige etymologische parentheses, denken aan 'randonnizer', maar dat woord bestaat niet; jammer want er wordt veel rondgereisd in deze vertelling, en ook als vertelling zelf is het boek nogal dolend (en Carson had een broer die het gezin verliet, door Europa dwaalde en stierf).

Ik kan het niet uitleggen. Het is een irritant boek, nee: een boek van de soort die ik doorgaans bloedkokend irritant vind, maar dit exemplaar wilde ik snel en graag ten einde toe lezen, zelfs wetende dat het einde me weinig meer helderheid verschaffen zou dan het begin, als dat er al is, want in zekere zin begint dit boek al in Autobiography of Red, en dat begint weer met de fragmenten van Stesíchoros, en die had dat verhaal van Geryon ook niet zelf verzonnen.

Tijdens het lezen was ik me er voortdurend van bewust dat ik zat te lezen en niet precies wist wat ik aan het lezen was, qua genre en qua strekking; en die onzekerheid werd vrolijk gevoed door de zeer gedifferentieerde vormgeving. De teksten van de rei zijn gecentreerd gezet en zijn geheel interpunctieloos; andere teksten zijn opgebouwd uit blokjes van 38 mm breed en drie tot zes regels lang die dialogen bevatten wederom zonder enige interpunctie en ook zonder rolverdeling behalve dan een / tussen de clausen. En het merendeel van de tekst bestaat uit zowel links als rechts uitgevulde kolommen van 38 mm breed, midden op de pagina die plm. 155 mm breed is.

Geen ontkomen aan haast dat je aan auto-eye-tracking gaat doen. Fysiek, narratologisch en semantisch ben je domweg hard aan het werk met dit boek. Het vraagt al je aandacht. Daardoor is het ongewone literatuur; je raakt betrokken in de tekst. Of zoo, zou Gerrit Achterberg erachter schrijven.

dinsdag, mei 07, 2013

De kloof tussen poëzie en proza

Waarom en/of waardoor die er is, blijft me een raadsel. En wat die is, als ze er is. Ze is er. Poëzie doet het slechter in de winkel dan proza, maar wordt op begrafenissen en crematies vaker ingezet ter verwoording of leniging van verdriet en afscheid, en nooit leest een uitverkoren scholier tijdens de dodenherdenking een kort verhaal of een mininovelle voor, of een essaytje. Poëzie is moeilijk, vinden studenten tijdens een cursus literatuurgeschiedenis, waarin beide aan bod komen. Dan vergeten ze, denk ik, even dat hele lappen proza van Multatuli, Van Deyssel, Brakman, Krol, Jongstra misschien wel lollig lijken maar alles behalve 'makkelijk' zijn.

Mede door die kloof ben ik zo geïnteresseerd, nog steeds, in wat wel genoemd word epische of verhalende poëzie, en dan vooral dergelijke poëzie sinds eind negentiende eeuw. Toen immers, kan men met een gerust hart en slechts weinig overdrijving zeggen, ging de lyriek de poëzie overheersen. En uit veel uitspraken over poëzie sinds dien blijkt dat het onderliggend concept van poëzie is: formeel strak georganiseerd taalbouwsel met regels korter dan een bladzij breed is en met minder regels dan er op een 'gewone' bladzij passen (waarbij ik vrees dat proza de norm is); eventuele eisen met betrekking tot rijm en metrum zijn eenvoudig te pareren met praktische tegenvoorbeelden, zelfs waar het om sonnetten gaat. Blijft over iets als 'Marc groet 's morgens de dingen' als oerbeeld van een gedicht.

(ja, ik denk dat dit 'chargeren' heet, maar dat mag soms, pour besoin de la cause).

Lang geleden, op 17 januari 2003, kocht ik, om die kloof weer eens te verkennen, de Nederlandse vertaling, door Marijke Emeis, van Anne Carsons Autobiography of Red; het werk verscheen oorspronkelijk in 1998 bij Knopf, de vertaling in 2000 bij Meulenhoff. Carson is een Canadese dichteres. En op het achterplat van Autobiografie van rood staat: 'In haar eerste roman in verzen overbrugt Anne Carson de kloof tussen poëzie en proza door een meeslepende zielenreis te beschrijven van een gevleugeld monster dat Gerion heet.' (mij wondert tussen haakjes waarom Geryon in vertaling Gerion is geworden; Wikipedia en Van Dale doen dat ook niet). Jammer, ik zie niet hoe je die kloof kan overbruggen door een reis te beschrijven. Reizen verenigt, weet ik, maar niet dat het op proza en poëzie sloeg.

Al snel wordt duidelijk dat het geen eenvoudige, traditionele dichtbundel is. Op pagina [7] staat de inhoudsopgave. Daaruit blijkt al dat je niet bepaald direct die beschrijving van de zielenreis in wordt gesleept. Integendeel: eerst allerlei gedoe rondom Stesíchoros, van wie gezegd wordt: 'Hij kwam na Homeros en vóór Gertrude Stein, in een moeilijke tussentijd voor een dichter.' In geen van de drie perioden ben ik echt thuis. Vervolgens (quasi-?)vertalingen van diens overgeleverde fragmenten en appendices. Carson is classica en steekt dat onder stoel noch bank. Aan het eind een interview met Stesíchoros. Daarvoor dan, in 47 Romeins genummerde en van titel en korte scénebeschrijving voorziene hoofdstukken, 'Autobiografie van rood; een romance'. Daarin wordt van alles overhoop gehaald; niet alleen de mythische achtergrond van Geryon en Herakles, die tegelijkertijd wordt tegengesproken, doordat beiden als hedendaagse jongelieden worden neergezet, maar ook Emily Dickinson, fotografie, puberliefde, verlatenheid, verlangen, vulkanisme, Zuid-Amerika, Heidegger, Leibniz, noem maar op. En dat allemaal niet bepaald in een helder discursieve stijl.

Wat bijzonder opvalt, daarnaast, is de zet- en bladspiegel. Wat die betreft, hangt deze tekst inderdaad tussen proza en poëzie in. De versregels zijn doorgaans veel langer dan dat ze voluit op één zetregel passen, terwijl tegelijkertijd de rechtermarge alles behalve dwingend lijkt te zijn geweest; en als je alles optelt en aftrekt zou je kunnen calculeren dat ieder gedicht is opgebouwd uit eenheden van één heel lange versregel; stichische poëzie kan dat dan heten, geloof ik, met dien verstande dat hier de versregels niet van gelijke omvang zijn. Anders gezegd: ik heb de indruk, enerzijds, dat die regellengte opzettelijk vormgegeven is, maar, anderzijds, dat er geen enkele maatvoering voor was. Het is een soort poëzie die mij niet uitnodigt lettergrepen te tellen of accentverhoudingen te verkennen en te scanderen. Da's lastig, omdat ik van lekker lopende kunstteksten houd, of het nou om Verweys Demeter of Miltons Paradise Lost gaat. Zulke teksten kunnen iets te weeg brengen wat het meeste vertellende proza niet kan: dat ik lees en meemompel, of zelfs hardop lezen ga, en vergeet waar het over gaat.

Bij het lezen van Autobiografie van rood raakte ik de inhoudelijke draad ook steeds kwijt, maar dat kwam veeleer, vrees ik, doordat de tekst betrekkelijk onoverzichtelijk, althans associatief geconstrueerd is. Nou ja, zo'n kop tussen titel en tekst als op pagina 50 laat weinig aan de verbeelding over. En als je weet dat Geryon hier in Lima op het dak van een huis overnacht, waar vele gasten zijn, valt er wel een verhalende lijn in te ontdekken, maar hoe hier bijvoorbeeld de verhouding precies is tussen de realiteit/het bewustzijn van Geryon, Herakles en diens Oma, durf ik niet te zeggen. Geryon heeft stevig geslapen, zijn ex-geliefde Herakles zegt dat zijn wereld heel langzaam gaat, en diens oma praat over de dood, tot er twee vlinders langsvliegen, uitmondend in een uitnodiging tot een bezoek aan de vulkaan, die al voorkomt in het gedicht van Dickinson dat als motto voorafgaat aan deze romance. Dit is voor mij misschien poëzie zoals studenten poëzie ervaren: er moet toch enig systeem in te vinden zijn, maar ik zie het nog niet. En dan ga ik me afvragen: waarom toch deze 'vorm'?

Vreemd, al lezende kwam ik erachter dat ik Autobiografie in rood pas nog gelezen had. Ik wist dat niet meer; gaande weg kwamen scènes me bekend voor. Leuke leeservaring. En: het betrof herinneringen aan scènes, fragmenten van gebeurtenissen. Van poëzie beklijven doorgaans beelden en verwoordingen. Hoe dan ook, nu pas mag ik Red Doc> gaan lezen, het dit jaar verschenen, prachtig uitgevoerde vervolg.

zondag, april 28, 2013

Maak plaats, maak plaats, maak plaats.

Het jongste nummer van Opzij is gewijd aan de literatuur, wegens de Opzij-literatuurprijs, toegekend aan Manon Uphoff voor haar novelle De ochtend valt (mooie titel). Verder aandacht, zoals ook de kranten die dezer dagen gul schenken, voor een een mij onbekende jonge vrouw Meijer die een boek heeft geschreven over zichzelf, haar vreetziekte en haar vader, die wel bekend en dood is. Een alles behalve Opzijerige vorm van literatuur en/of literatuursociologie, als je het mij vraagt (maar waarom zou je dat doen).

Wel interessant is het overzicht van vijfendertig schrijfsters, jonger dan vijfendertig jaar. Daar zitten heel wat bekende en veel belovende autrices tussen. Wat ook de strekking is van de portrettengalerij. Dat tableau sluit aan bij 'Lekker ding, kan schrijven', een pittig (ships, is dit wel het goede bijvoeglijk naamwoord?) artikel van Daphne van Paassen over het glazen plafond waaronder vrouwen in de Nederlandse literatuur gebukt gaan. Van Paassen heeft gedurende een half jaar recensies in drie belangrijke kranten geturfd, en komt tot de onthutsende constatering dat slechts 27 procent van de (grote) recensies gewijd was aan boeken van vrouwen. Ongeveer slechts de helft van wat zou moeten. Ook al is het ontbreken van gegevens over de productie, het aantal uitgaven van literatuur van vrouwen en mannen, een manco van het stuk, tegen de achtergrond van dat groepsportret van jong talent is die constatering, dat feit, nogmaals, onthutsend.

Eerder dit jaar verscheen een vergelijkbare, zij het minder met cijfers onderbouwde constatering op het weblog De witte kamer. Daarop schreef ik de volgende reactie, die ik hier eenvoudig herhaal omdat ze even goed aansluit op Opzij; zo snel gaan gewenste veranderingen van de werkelijkheid nu eenmaal niet.

'In dit licht is de longlist van de Academica Literatuurprijs 2013 zo gek nog niet: zes mannen, negen vrouwen. En als ik de namen goed heb geïnterpreteerd, hebben van de aangemelde auteurs 55 mannen en 32 vrouwen de longlist niet gehaald. De in totaal 102 mededingers zijn: 61 mannen en (maar) 41 vrouwen. Maar van die 41 vrouwen haalt dan wel een heel hoog percentage, 22%, de longlist terwijl nog geen 10% van de mannelijke mededingers op de longlist terecht [is] gekomen. Voor de volledigheid: de nominatiejury 2013 bestaat uit vier mannen en één vrouw.'

Inmiddels kan ik eraan toevoegen worden dat op de shortlist van de Academica Literatuurprijs 2013 terecht zijn gekomen: twee vrouwen en maar één man. Reken zelf de percentages uit: hutsend! De twee vrouwen, Hanneke Hendrix en Shira Keller, figureren op pagina 40 en 41 in de portrettengalerij '35 onder de 35'. En terecht.

vrijdag, april 19, 2013

In Ingliesh

Aan de Harvard aan de Krommerijn-universiteit zijn we helemaal tweetalig. Dat gaat soms alle kanten uit. We hebben bij Joemenneties een dien gehad die zelfs niet master zei maar mester, maar hij was een uitzonderling. We geven college aan de drift en op het joesie, met biemers en dingen, de ielo heet blekbort, een opleiding een skoel. En een gat in de muur waarin je bibliotheekboeken kunt leggen die je uit hebt of om een andere reden niet te vondeling legt maar terug wilt bezorgen, heet self-return machine. Je moet geen identiteitscrisisje hebben, vind ik, als je voor dat ding staat, of mijn Engels is niet toereikend.

zaterdag, april 13, 2013

Voorpret en uitstel

Onlangs, afdwalend na het Stedelijk door Amsterdam, kwam ik terecht in Het Martyrium en verbaasde me weer over het rijke assortiment dat daar ligt ten toon gespreid. Alleen al op de afdeling poëzie. Ik zag er een heel mooi boek, heel recent ook, van Anne Carson, Red Doc > heet het. Het is een vervolg op Autobiography of Red uit 1998, waarvan ik de Nederlandse vertaling (door Marijke Emeis) tien jaar geleden kocht.
Ik las het nog niet. Nu kocht ik dus dat nieuwe boek, naar aanleiding waarvan Carson op de site van Random House noteert: "Some years ago I wrote a book about a boy named Geryon who was red and had wings and fell in love with Herakles. Recently I began to wonder what happened to them in later life. Red Doc> continues their adventures in a very different style and with changed names. / To live past the end of your myth is a perilous thing." Ik moet nu eerst dat oude boek lezen, en popel naar het nieuwe, omdat het er vanbinnen reuzespannend uitziet met die benauwende kolommen.

donderdag, april 11, 2013

Stagebezoek

Altijd leuk om een student/e bezig te zien, in bedrijf. Vandaag even langs geweest bij Laurence de la Porte, master studente Literatuur en cultuurkritiek, stagiaire bij Opzij. Heeft het helemaal naar haar zin, en Opzij niet minder. En zie, meteen een nummer van het blad erbij met een bijdrage van Laurence. Een groot en een groter stuk zitten eraan te komen. Leerzaam: 1800 woorden is een groot stuk. En signalementen van boeken moeten soms in 100 woorden. Oh ja, binnenkort, 20 april, wordt de toekenning van de Opzij- literatuurprijs bekend gemaakt. Helaas, ik heb geen informatie los kunnen krijgen. No scoop.

zaterdag, april 06, 2013

NIEUW!

Eergisteren nog verbaasde collega en kamergenoot Laurens Ham, vanachter een stapel literatuurgeschiedkundige handboeken, zich erover dat veel periodespecialisten beweren dat er in hùn tijdvak toch echt voor het eerst een diepgaande verandering in het schrijverschap te zien is (iets met autonomisering). Alsof ze geen weet hebben of kennis nemen van elkanders werk.

Ik moest daardoor denken aan een reeks Utrechtse hoorcolleges over de moderne literatuurgeschiedenis, dat is: de geschiedenis van de moderne literatuur, van een aantal jaren geleden waarin een stapeltje andere collega's ieder opnieuw - alsof ze niet binnen één collegereeks predikten - met kracht en klem van argumentatieve voorbeelden aantoonden dat er in het specifieke tijdvak dat zij bespraken toch wel echt zulke wezenlijke veranderingen optraden in onder andere mechanisatie, technische innovatie, massaproductie, dat daardoor de literaire wereld fundamenteel werd veranderd en vernieuwd.

Vanmorgen las ik in de NRC van gisteren dat "Descartes' gevleugelde woorden cogito ergo sum uit 1637 [...] het moderne denken in[luidden]." Door Laurens' vrolijke verbazing denk ik daar nu toch bij: Echt waar? Precies dan en zo en daardoor? Of zijn er later nog meer of nog gevleugelder woorden, en wellicht ook eerder? Ik weet het niet, ik vraag het me even af, nog voor het ontbijt.

Inmiddels liggen de croissantjes in de oven en las ik het hele stuk van Ger Groot. Een prachtige recensie van vijf boeken die genomineerd zijn voor de Socratesbeker (wat een wrange prijs, overigens). Groot bespreekt de boeken zeer helder en wat meer is: brengt ze - hoe uiteenlopend ze ook zijn- met elkaar in verband. Vervolgens komt hij te denken over wat nu filosofie is en ten slotte knoopt hij daar een wel overwogen oordeel aan vast over welk boek die prijs dan verdient. Mooi werk. Dit wordt een goed weekeind.

maandag, april 01, 2013

Deze dag...

... leent zich bij uitstek voor een Tom Waits-citaatje, uit het nummer 'Come On Up To The House' van het misschien nog steeds niet geëvenaarde album Mule Variations (1999), het tweede couplet, recyclagepropaganda anno heden:

All your cryin don't do no good
Come on up to the house
Come down off the cross
We can use the wood
Come on up to the house.

Hoppa, leuk filmpje erbij, en let ook even op die mondharmonica die er na twee minuten, vlak na mijn favoriete Thomas Hobbes-citaat, scheurend bij komt (maar na een seconde of twintig al weer pleite gaat).

donderdag, maart 28, 2013

Taalmisbaar (exit diminutiva)

Heden las ik, via Twitter doorgestuurd, dit: het is het eerste van wat beloofd wordt als een lijst van 'een vijftal [dikdoend Nederlands voor: vijf] alternatieve redenen [...] die wellicht ten grondslag liggen aan de zich zo langzaam ontwikkelende ebookmarkt'.

Lees dit, voor een goed of zelfs beter begrip, vooral nog eens rustig na, des gewenst in de oorspronkelijke context: de webstek van Eburon, academic publishers, want het gaat hier maar liefst om: redenen die ten grondslag liggen aan de ebookmarkt.

"1. Het boek is helemaal niet kapot
‘If it ain’t broke, don’t fix it’, luidt het gezegde. Als je er over nadenkt zijn boeken best ideale gegevensdragers. Als je er één koopt kun je het meteen inzien. De opmaak is precies zoals de vormgever het bedoeld had. De accu kan niet leegraken tijdens het lezen, en als je een boek op de grond laat vallen gaat het niet kapot. Je kunt een uitgelezen boek probleemloos weggeven of doorverkopen. Er is een ongelofelijk groot aanbod van goedkope tweedehands boeken en je treft bovendien heel veel ‘gratis’ boeken aan in de bibliotheek. Kortom: het boek werkt gewoon nog te goed en er is helemaal geen behoefte aan een nieuwe technologie, die bovendien nog best wel veel beperkingen kent (zoals matige standaardisatie, onhandige drm, gebrekkige opmaak)."

Eerst de schil, dan de peul.

1.a. Als iets niet kapot is, kan er toch een alternatieve, misschien wel een - afhankelijk van de wensen van de gebruiker - betere versie van bestaan of ontwikkeld worden.

1.b. Als ik erover nadenk, zijn boeken ideaal om sommige gegevens te dragen, niet noodzakelijk alle, zelfs niet noodzakelijk alle literaire 'gegevens'.

1.c. Als je één e-boek koopt, is de implicatie van het namens Eburon opgestelde bericht, kun je het niet meteen inzien. Mijn boekhandel doet evenwel een p-boek in een kunstig gevouwen papier, zo dat de binnenkant vrolijk contrasteert met de buiten-dito, en dat geheel gaat in een papieren of plastieken zak dan wel tas, waarmee ik het een en ander naar huis transporteer, alwaar ik het plakband er weer van losmaak, het papier eromheen weer openvouw, het boek erin er weer uitneem, het papier wederom toevouw en in die toestand in de oud-papierdooos leg, terugloop naar het boek, dat van de tafel opneem, meeneem naar een bank of fauteuil, des gewenst een leeslicht aanknip, en het boek aldaar en alzo eindelijk inzie. Een e-boek koop en open ik in vijf digitale stapjes zonder mijn huis of werkplaats of vakantiewoning of lijfkroeg te verlaten.

1.d. Een goed, echt, werkelijk als zodanig ontworpen e-versie van een boek verschijnt op mijn e-lezer (al dan niet in de tabletrekenaar geïntegreerd) precies zo als de digi-vaardige vormgever, niet angstig aan één enkel lettertypje zich ophangend, het bedoelde.

1.d. Mijn armspieren kunnen niet oververmoeid raken bij het tijdens de halfslaap vasthouden van weer zo'n te dikke autobiografisch geïnspireerde roman, indien ik die lees in e-versie.

1.e. Ik heb per ongeluk wel eens band 'J-R' van de Van Dale uit m'n handen laten vallen, en trouwens ook eens 'gaasje - harspleister' van het WNT: aan gort, naar de Philistijnen, kaduuk, stuk, in de rug geknakt, uit de band gescheurd, niet meer te plakken.

1. f. Over het doorschuiven van e-boeken durf ik niet ver uit te wijden, maar toen ik mijn e-lezer had gekocht, zei mijn schoonzus enthousiast en gratis: 'Oh, dan heb ik nog wel wat boeken voor je', en ze gaf me een USB mee met meer e-quivalenten van analoge boeken dan ik ooit op zeven houten planken had kunnen herbergen.

1.g. Ik kan meer gratis e-boeken downloaden dan me lief is via tal van digitale boekaanbieders en zeker veel meer dan ik analoge boeken gratis kan krijgen die de moeite waard zijn. Sakkernondeju.

1.h. Mijn uitleenbibliotheek, zowel de professionele als de gemeente-versie, biedt even 'gratis' papieren als digitale boeken aan.

Kortom: wat een volkomen ondoordacht, oever- en eindeloos gezweefzwatel plettert W. de J. op de webstek van Eburon. Moet ik de overige vier 'alternatieve redenen' ook nog lezen? Dacht het niet. Lust je nog peultjes? Idem.

woensdag, maart 27, 2013

Taalmisbaartjes

1.
‘De opbouw van de beide verhalen kent naast de achteraf vertelde bekentenis nog een overeenkomst: in beide verhalen is aan het slot sprake van een dramatische gebeurtenis die het verhaal een andere wending geeft.’

Geen idee waaraan ik dit ontleen. Ik noteerde het citaat dan ook als een symptoom, niet als een uniek verschijnsel.

Nooit wordt in zo’n essay met zo'n opmerking verteld wat de eerste wendig is, of de voorafgaande zelfde wending. Zo die er al zou zijn. Maar die is er niet. Bijna nooit. Bedoeld wordt, denk ik: een onverwachte wending, of kortweg: een wending, terwijl je verondersteld wordt te verwachten dat het verhaal als door een industrieel afvoerkanaaltje rustig aan ten einde zou kabbelen. Knap toch, dat veel schrijvers die illusie steeds weer weten op te bouwen: u weet zelf wel, lieve lezer, hoe het verder gaat, maakt niet uit, ik schrijf nog wel even door, hoor, babbeldebabbel... en dan, opeens, stilte, heldere hemel: een andere wending.

2.
De slotzin van een recensie van Rosenbooms De rode loper in een groot landelijk en ochtendlijk dagblad: ‘Hoe onderhoudend De rode loper ook is, de roman laat vooral zien dat deze schrijver niet aan zichzelf kan ontsnappen.’

Misschien ben ik een onwelwillende lezer - terwijl ik echt mijn ongeloof (‘Noteert iemand dat serieus?!?’) aan alle Voordorpse polderwilgen probeer te suspenderen - maar ik vraag me toch af: verwachtte de recensent werkelijk dat Roosenboom opeens als Amatmoekrim ging schrijven? Bij wijze van andere wending in thematiek en stijl of zo?

’t Klinkt sowieso als een gevalletje Faint Praise. De passage na de komma is de ontkrachting van de mogelijke waarheid van de passage ervoor. Deze recensent zegt van wel, maar vindt de roman kennelijk alles behalve onderhoudend, want die Roosenboom, die blijft maar door roosenbomen; erger: wat zijn jongste roman vooral laat zien, is de onveranderlijkheid van Roosenboom.

vrijdag, maart 08, 2013

E-reading

Ik ben, geloof en vrees ik, een volkomen e-reading fool. Een jaar geleden kreeg ik een elektronische tekstdrager met van die digitale 'inkt'. Bladert uiterst tot tergend traag, maar er past knoertveel tekst in en het leest echt heerlijk. En het apparaat is licht en klein; het past in een jaszak en reist dan ook mee in bus en trein. Het heeft internetverbindingsmogelijkheid, maar de browser is a fucking hell; dat grijze, want verder kleurloze scherm is met z'n piepkleine pestlettertjes schier onleesbaar en de informatie van de i-pagina's past er niet op. 'k Heb gisteren geprobeerd een boek neer te laden van de DBNL. Dat was dus DBN-hel. Niet gelukt. Ligt dus niet aan de DBNL, maar aan dat lezerbladeraartje.

Sinds kort heb ik een tabletrekenaar met ingebouwde leesmogelijkheden. Maar omdat ik van nature braaf instructies volg van aanbieders, lees ik nu de Volkskrant in een kiosk, terwijl de NRC in een andere applicatie opduikt. De groene Amsterdammer zei dat-ie in Tablisto wilde, dus dat heb ik ook maar genomen (gratis als het is); inmiddels heet dat ding Bruna Tablisto, en ziet er anders uit dan eerst. Sommige boeken komen terecht in een appje dat, heel toepasselijk, 'boeken' heet, maar waar gek genoeg ook een krant in zit. Overal zit ook al de nodige gratis literatuur in. Buitenlandse vooral. Ons bin zuunig, of zo. Maar mooi dat ik de hele Dickinson nu heb.

PDF-jes lees en/of bewerk ik met Evernote en iAnnotate, zonder dat ik nog een systeem heb van wat ik waar bewaar. Daarmee houd ik mijn analoge geheugen in stand.

En heden kwam ik via een twiet een aanbieding tegen van Stoner van John Williams, dat me al van diverse kanten werd aangeraden. Dus hup, niet zeuren, een mooi boek voor vijf euren. Hotscha, en wéér een nieuwe e-lezerapplicatie erbij, nu een getooid met de idiote naam Kobo, en met wéér een andere gebruikersnaam en wéér een ander cryptisch wachtwoord. En allemaal willen ze dat ik gezellig meedoe met babbelgroepjes en consumentenpannels, nieuwsbrieven, updates... Mij duizelt.

Gisteren, trouwens, heb ik dat boek, dat ik eerder al probeerde, De stille kracht van Louis Couperus, via m'n tablet gratis binnen gehaald; dat was ongelogen binnen een halve minuut geregeld: zoeken, vinden, binnenhalen en openslaan. Wonderbaarlijk. Nu hoop ik dat ik het straks terug weet te vinden.


Dagje later. Ook dat nog. Om boeken uit de universiteitsbibliotheek te kunnen neerladen, heb ik nu ook de Bluefire Reader moeten installeren. Dat wil zeggen dat ik nu meer digitale dan houten boekenkasten heb, maar een omgekeerde verhouding qua boeken. Wanneer komt dat in evenwicht?


Later diezelfde dag: het is wel prettig dat je zo makkelijk aantekeningen kan maken in een digiboek (die je er ook weer zonder gommen uit kunt halen, en allemaal kunt verzamelen), en dat je woordbetekenissen kunt opzoeken op 't internet, en dat je ook kunt zien waar en hoe frequent een woord in het boek voorkomt. Ik weet nu dat het woord(deel) 'artist' zesentwintig keer voorkomt in De stille kracht, en als je even wacht zoek ik ook nog op of dat vooral in een context met mevrouw Eva Eldersma is.

donderdag, maart 07, 2013

Academica Literatuurprijs 2013 - Nominaties

En daar zijn ze dan, best wel de beste.

De drie genomineerden voor de Academica Literatuurprijs 2013 zijn bekend. De nominatiejury heeft uit meer dan 100 ingezonden Nederlandse en Vlaamse fictiedebuten drie kanshebbers geselecteerd. De prijs bestaat uit de Academica award en 10.000 euro. De Academica Literatuurprijs wordt dit jaar voor de achttiende keer uitgereikt. In 2011 was Peter Buwalda de winnaar met Bonita Avenue en vorig jaar Erik Menkveld met Het grote zwijgen.

Alle door de uitgeverijen ingezonden boeken zijn uitgegeven tussen 1 oktober 2011 en 30 september 2012. De jury heeft na een voorselectie - een longlist van 15 titels - de onderstaande drie debuten geselecteerd.

De nominaties voor 2013
Cristophe van Gerrewey, Op de hoogte (De Bezige Bij)
Hanneke Hendrix, De verjaardagen (De Geus)
Shira Keller, M. (Podium)

Enkele citaten uit de juryrapporten

Over Op de hoogte: ‘Daarmee krijgt dit relaas van oprecht liefdesverdriet bijna onopvallend een metafictionele dimensie.’

Over De verjaardagen: ‘Op een losse, bijna nonchalante en volkse toon weet de schrijfster in haar eerste roman een fijnzinnig evenwicht te bewaren tussen heftige thema’s en anekdotiek.’

Over M.: ‘In een suggestieve stijl met verrassende associaties en intrigerende tijdsprongen roept Shira Keller een wereld op die je bijblijft.’

Publieksprijs
Het is nu, tot en met augustus 2013, aan de lezers om hun gemotiveerde stem uit te brengen op wat volgens hen het beste debuut van Nederland en Vlaanderen is. De winnaar wordt 12 september 2013 bekend gemaakt. Deze werkwijze, waarin een vakjury de voorselectie doet en louter de lezers de winnaar bepalen, is uniek voor een Nederlandse literaire prijs.

De vakjury
De vakjury bestond uit
Casper Markesteijn (voorzitter), schrijver, recensent en publicist
Anna Luyten, journaliste, filosofe, literatuur- en theaterwetenschapster
Arjan Peters, recensent en redacteur van de Volkskrant
Kees Snoek, schrijver, hoogleraar Nederlandse Letterkunde en cultuurgeschiedenis aan de Sorbonne (Parijs)
Fabian Stolk, vroolijke hermeneut, docent/onderzoeker Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht

maandag, februari 25, 2013

Stoplap

Zojuist met veel genoegen Louteringsberg van Marcel Möring (tweede druk) gelezen. Het was al weer lang geleden dat ik een Möring gelezen had, en ook deze stelde niet teleur. Lekkere dikke pil (506 pagina's). Het verhaal van een man die, om het zacht te zeggen, nogal vastgelopen is in zijn leven, in het leven en in zijn somberheden naar aanleiding van het een en het ander. Ik houd wel van die types. Om over te lezen althans. Stug, massief, somber, ondanks voorspoed die er ook is, zoals hier dankzij de sterke dochter, Rebecca, ook wel Becky en Becks genoemd, die opgroeit tot beeldend kunstenaresse van formaat.

Omdat het verhaal de periode van voor de Tweede Wereldoorlog tot een eindje in de 21e eeuw bestrijkt, kan je het wel episch noemen, mede doordat het individuele en het familiale lotgeval van Marcus Kolpa via een joodse achtergrond met het wereldgebeuren is verbonden. Komt nog bij dat deze roman aansluit bij Dis, wat een prettig soort vertrouwdheid oplevert (al moet ik zeggen dat ik die roman eigenlijk weer moet herlezen, om daar echt zeker van te zijn), en zelfs ook herinnert aan In Babylon, waar ik heel goede herinneringen aan heb (en dat ik ook wil herlezen).

Toch zat er een kiezeltje in het schoeisel der lectuur. Na een bladzijde of driehonderdzeventig dacht ik dat ik al zeker zes maal een en dezelfde, loze uitdrukking had gelezen. Opmerkelijk, want ik vind dat Möring goed schrijft, gevarieerd, zuiver (en met aandacht voor goede recepten). Ik heb me daarin kennelijk een klein beetje vergist (een beetje, omdat het maar één klein dingetje betreft, en zeker niet de structuur, het ritme en de grote lijnen). Ik ben, een beetje geïrriteerd, gaan turven, en kan daarom deze bloemlezing presenteren:

'Ik dacht aan een film van Kurosawa waarin de kersenbloesem als sneeuw naar beneden dwarrelde en op de een of andere manier maakte mijn herinnering een verbinding met de arcadische droom die ik koesterde toen Becky en ik hier lang geleden heen verhuisden [...].' (385)

'[...] een geschiedenis die mij onbekend was en die ik op de een of andere manier toch toch leek te kennen.'(397)

'Op de een of andere manier voelde ik een onbedwingbare behoeft om naar de muur van de gang te kijken.' (421)

'Het was misschien, op de een of andere manier, een doel dat de leegte van haar bestaan zin gaf.' (447)

'Overigens beweert hij ook dat hij zich dat allemaal kaan herinneren en op de een of andere manier geloof ik hem wel.' (464)

'Op de een of andere manier voelde ik mij krachtig en energiek.' (474)

'Op de een of andere manier was er een soort vreemdheid opgekomen.' (478)

'Daar, achter de stammen, een eindje in het bos, maar op de een of andere manier nog net zichtbaar in het schijnsel van de maan, zag ik het gezicht van iemand die ik al lang niet meer had gezien.' (493)

Acht maal dezelfde stoplap op 121 bladzijden. Dat is gemiddeld een maal per vijftien bladzijden. Dat betekent dat ik in het eerste deel (p. 13-385) die zelfde stoplap wel 24 maal had kunnen tegenkomen. Ik wacht even tot ik een digitale versie heb voor ik dat ga controleren. Maar voor die tijd mag een bezige redacteur ter uitgeverij wat mij betreft wel wat schrappen voor de derde druk verschijnt.

vrijdag, februari 22, 2013

De Academica Literatuurprijs 2013 - langlijst est arrivé

De nominatiejury van de Academica Literatuurprijs – voor het beste Nederlandstalige fictiedebuut – heeft de volgende vijftien debuten op de definitieve longlist geplaatst:

Erdal Balci, De mooiste leugen (Bezige Bij)
Christophe Van Gerrewey, Op de hoogte (Bezige Bij)
Marjolijn van Heemstra, De laatste Aedema (Bezige Bij)
Hanneke Hendrix, De verjaardagen (De Geus)
Rosan Hollak, Scherptediepte (Bezige Bij)
Murat Isik, Verloren grond (Anthos)
Shira Keller, M. (Podium)
Sander Kollaard, Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (Van Oorschot)
Gilles van der Loo, Hier sneeuwt het nooit (Van Oorschot)
Maan, Ik ben Maan (Wereldbibliotheek)
Kaweh Modiri, Meneer Sadek en de anderen (Thomas Rap)
Nina Roos, Neem op (De Harmonie)
Ruth San A Jong, De laatste parade (In de Knipscheer)
Fréderique Schut, Met Muijs (Contact)
Ilona Verhoeven, Voor de eerlijke vinder (In de Knipscheer)

De shortlist van drie titels maakt de nominatiejury begin maart bekend.
Na de bekendmaking van de shortlist gaan de lezers bepalen wie op 12 september in theater Diligentia in Den Haag de Academica Literatuurprijs van 10.000 euro in ontvangst mag nemen.

De winnaar van vorig jaar was Erik Menkveld met Het grote zwijgen. Het jaar daarvoor won Peter Buwalda met Bonita Avenue.

Voor meer informatie: www.academicaliteratuurprijs.nl en www.dordtliterair.nl of ondergetekende.

Casper Markesteijn (voorzitter van de nominatiejury)
Bankastraat 275
3312 GC Dordrecht
078-6130817
0655108493

woensdag, februari 20, 2013

Hoe kom ik hier nu op?

Opeens ben ik verzeild geraakt in oude poëzie. Niet heel erg oud, maar toch. Ik ken nu al de weg niet meer die mij vandaag tot deze tekst geleid heeft, maar, zo al niet de weg, dan toch is het doel wel goed. Opeens, nu voor het eerst, las ik geheel de tekst (ik stal de tekens hiervandaan):
God strengthen me to bear myself;
That heaviest weight of all to bear,
Inalienable weight of care.

All others are outside myself;
I lock my door and bar them out
The turmoil, tedium, gad-about.

I lock my door upon myself,
And bar them out; but who shall wall
Self from myself, most loathed of all?

If I could once lay down myself,
And start self-purged upon the race
That all must run ! Death runs apace.

If I could set aside myself,
And start with lightened heart upon
The road by all men overgone!

God harden me against myself,
This coward with pathetic voice
Who craves for ease and rest and joys

Myself, arch-traitor to mysel;
My hollowest friend, my deadliest foe,
My clog whatever road I go.

Yet One there is can curb myself,
Can roll the strangling load from me
Break off the yoke and set me free.

En daar hoort dus dat plaatje bij, het schilderij van Fernand Khnopff uit 1891. Maar ik ken het gegeven vooral via (d.w.z. langs de omweg van) het gelijknamige gedicht, beter nog: het gedicht dat een stukje uit de betreffende tekst als citaat als titel heeft, van P.N. van Eyck, opgenomen in diens debuutbundel De getooide doolhof (Zeist, Meindert Bogaert jr., 1909). In Van Eycks Verzameld werk (deel 2, Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1958, p. 493) staat erbij aangetekend: 'Doordat de dichter het [boek] zelf had moeten bekostigen, bevatte het maar een keuze uit wat hij gebundeld had willen zien.' (zie hiervoor ook een eerdere post).

Overigens een leuk onderzoeksonderwerp: het (al dan niet) zelf bekostigen van literaire debuten, ten pages or more door de tijden heen, zo gezegd; wat een geploeter toch steeds, geleur om centen, gevraag om aandacht, voorwoorden door of schimpscheuten naar meer of minder eerwaarde oudere tijdgenoten, you-face-book-tube-filmpjes en wat dies meer zij).

Ik heb domweg een zwak voor die dichter. 'Het bloed wil rust maar 't hart wil 't niet gedoogen', zo laat hij zijn Inkeer (1927) beginnen. En op de muur langs de trap in ons huis heb ik geschilderd: 'ascendimus ascensiones in corde', het eerste deel van het motto van Voorbereiding (1926) (het tweede deel luidt overigens: 'et cantamus canticum gradum'.) Zie, hoe mooi die letter; is dat niet de Hollandse Mediaeval van De Roos... herkenbaar aan de e met dat schuine oogje en de open staart van de g..., gepubliceerd toen mijn moeder drie was.

Maar ja, sla ik dat debuut van Van Eyck open, kom ik allerlei tegen, maar niet dat gedicht '"I Lock My Door Upon Myself"'. Typisch Van Eyck weer, die oeuvrebouwer. In de verzenbibliografie achterin VW dl. 2 staat erbij aangetekend dat het gedicht eerst verscheen in september 1907 in De beweging, het tijdschrift van Van Eycks dichterlijke Meester en professorale voorganger Albert Verwey, en dat het daarna werd opgnomen in de tweede druk van De getooide doolhof.

Dat heb ik weer: schaf ik van een dichter bijna alle eerste drukken aan, mis ik daardoor de tweede druk waarin dat gedicht wel is opgenomen. Wat een sadistisch universum; je zou er pantheïst van worden.

dinsdag, februari 19, 2013

Gewoon letterlijk

'Postmodernistische romanschrijvers breken radicaal met de traditionele chronologie', noteren Van Boven en Kemperink in Literatuur van de moderne tijd (Bussum 2006: 292). Helemaal mee eens. En als een van de voorbeelden geven ze: 'bij Atte Jongstra (1956) [staat] het vermoorde slachtoffer op een gegeven moment gewoon weer op.' (292-293).

Ik vind dat, radicale breuk met de traditionele chronologie als het is, alles behalve gewoon. En dat bedoelen Van Boven en Kemperink, denk ik, ook, dat ze het niet gewoon vinden. De vraag is, waarom ze dan niet zeggen: 'bij Jongstra staat het vermoorde slachtoffer op een gegeven moment weer op, alsof het gewoon zou zijn'?

Dat doen ze niet, denk ik, omdat niemand dat m.m. doet. Iedereen zegt 'gewoon' in dit soort gevallen, als er 'ongewoon' wordt bedoeld. Op 18 februari jongst leden bijvoorbeeld stond op NRC.nl deze kop: 'Feesten op Koninginnedag gaan ondanks troonwissel gewoon door'. Zo gewoon is dat niet, Koninginnedag vieren als de koningin abdiceert en er een koning wordt ingehuldigd (en dan niet afdwalen naar dat vreemde 'troonwissel').

Toch heet allerlei gewoon. Zoals ook iedereen 'letterlijk' zegt, maar 'figuurlijk' bedoelt. Ik bedoel niet 'iedereen', maar: volgens mij heel veel mensen; zo veel, dat het lijkt dat wat zij schrijven, letterlijk gewoon is.

woensdag, februari 13, 2013

Hatchet Job

Mooi concept (hoe noem je een woord waar het Engels twee woorden voor gebruikt?). The Hatchet Job of the Year prize. Bijzondere prijs. Komt misschien minder hard aan doordat de kwaliteiten van het Engels zo goed uitgebuit worden.

'The Hatchet Job of the Year prize was set up by the Omnivore website to "raise the profile of professional book critics and to promote integrity and wit in literary journalism"', schrijft Alison Flood in The Guardian. Dit jaar gaat de prijs naar 'Camilla Long's comprehensive shredding of Rachel Cusk's memoir of her divorce, Aftermath'.

'Long, in a review for the Sunday Times, takes just over 1,000 words to pull Cusk's memoir to bits, writing the novelist off as "a brittle little dominatrix and peerless narcissist who exploits her husband and her marriage with relish", and who "describes her grief in expert, whinnying detail". En toch: 'a hatchet job isn't necessarily a turnoff.' Intrigerend. Beschaafd kraken.

zaterdag, februari 02, 2013

Dik doen. Of: Size Doesn't Matter?

J.C. Bloem (10 mei 1887 - 10 augustus 1966) was een beetje een slome, als mens, maar ook als dichter. En hij was, denk ik, zo lui als hij groot was. Des niet tegenstaande was hij in concurrentie met zijn veel minder flegmatische, maar juist energetische, gedreven, gepassioneerde, pantheïstisch-zelotische generatie- en geboortejaargenoot P.N van Eyck (1 oktober 1887 – 10 april 1954).

Begin 1912 is Bloem, na enige mentale piekjes, weer eens in een poëto-pragmatisch dalletje verzonken wat betreft de mogelijke verschijning van zijn debuutbundel. Dit blijkt uit zijn epistolaire reactie, d.d. 29 februari 1912, op de recente verschijning van Van Eycks vierde dichtbundel, Uitzichten (1912): "Als ik ooit nog eens een bundel uitgeef, (waar ik hard aan begin te twijfelen) mag ik het wel op vuistdik karton doen als ik jou wil inhalen." (J.C. Bloem, Gedichten. Historisch-kritische uitgave, verzorgd door A.L. Sötemann en H.T.M. van Vliet. Deel 2 / Apparaat en commentaar. Amsterdam-Oxford-New York 1979, p. 95; geraadpleegd via DBNL).

Bloems, inmiddels beroemde, debuut, Het verlangen, verscheen de facto op 12 mei 1921. Numeriek een kleine metathesis qua jaar van eerste publicatie ten opzichte van Van Eyck, maar literair-historisch betekent dat toch een afstand van maar liefst negen jaar. En wat meer is: in die tussentijd had Van Eyck al weer vier nieuwe bundels het licht doen zien. Kortom, ook al is dichtkunst geen wedstrijdje, tenzij in een slam - maar die had je toen nog niet -: bij Jacques' debuut stond het meteen al 9 - 1 voor Van Eyck, bijgenaamd Querculus. Pauvre Flos.

Om redenen die mij niet bekend zijn, kon ik, als NRC-contribuant, dezer dagen het elektrieke equivalent van een nieuwe versie van de, voor de zoveelste maal, verzamelde (lees: integraal herdrukte) gedichten van Anna Equist voor niks en niemendal downloaden. Ik deed dat blindelings, hoewel ik al relatief veel van haar bundels op de plank heb staan, zonder dat ik veel verschil kan zien tussen de ene en de andere; gratis is voor niks, dus pik in, 't is winter. Wat bleek: zo'n zeshonderd bladzijden. Kattengespin.

Het verzameld dichtwerk van Van Eyck (verschenen in de periode 1906-1958, gepubliceerd in deel 1 en 2 van zijn zevendelige Verzameld werk, uitgegeven door Van Oorschot) beslaat 356 + 537 = 898 bladzijden (inclusief alle registers en verantwoordingen); omgerekend een productie van ruim 17 bladzijden per jaar.
Het verzameld dichtwerk van J.C. Bloem (verschenen in de periode 1921-1958) beslaat 272 bladzijden, inclusief verantwoording, bibliografie, register en inhoudsopgave. Grofweg een output van net iets meer dan 9 bladzijden per jaar.

Het verzameld dichtwerk van Enquist (openbaar gemaakt in de periode 1991-2010) omvat (en ik ga af op de info in het e-boek, die lijkt te zijn toegespitst op de papieren versie) 596 bladzijden, inclusief aantekeningen en verantwoording. Ergo bijna 30 bladzijden per jaar.

Waarom dan, vraag ik me af, is dat gedichtenweekgeschenkboekje, dat een mooie voorkant heeft, met z'n schlemielige 14 paginaatjes met 10 gedichtjes van 12 regeltjes gedrukt op dijbeendik etalagekarton waar niet in te bladeren valt, terwijl het Utrechts dichtersgilde, eveneens voor nop maar op eigen initiatief, op de proppen komt met een boek van zestig normale, papieren, doorbladerbare bladzijden vol gevarieerde gedichten?

Handgemaakte inzichten

Wat - vroeg ik me in de trein terug af - maakt dat ik het ene symposium niet en het andere van begin tot eind wel interessant vind? Geen idee, was het antwoord toen ik thuis was. Toch loop ik die samenscholingen echt niet lukraak af. Ik selecteer ze op onderwerp en/of sprekers dan wel contactmogelijkheden, of, in geval van nood, prettige nazit en hoop er het beste van. Maar meestal overweegt hoe dan ook na korte tijd het gapen.

Vandaag, te laat aangekomen door een seinstoring ter hoogte van Duivendrecht, vervolgens benard door een krap stoeltje achterin de zaal, daarenboven na luttel tijds klam door gebrek aan frisse lucht, bleef ik maar vol aandacht luisteren en denken. De sprekers waren niet extreem goed (ho ho, versta me wel: alle waren eenvoudigweg ronduit goed, maar niet extreem, verbluffend, imponerend, gremdatiaal), de powerpoints al helemaal niet (geen enkele Prezi, zouden m'n studenten opmerken). In het onderwerp ben ik niet diep ingevoerd. En toch heb ik alleen maar aandachtig meegedacht tijdens Handgemaakte inzichten, georganiseerd ter gelegenheid van de oratie van Karina van Dalen-Oskam als hoogleraar computationele literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam (zie hier).

Het discours over digitale technieken in de letterkunde was spannend door de grote verschillen tussen - laat ik maar zeggen - kwantitatieven en kwalitatieven, empirici en hermeneutici, bèta's en alfa's, terwijl de wil en mogelijkheid tot wederzijds begrip minstens even groot waren. Dan kan je inderdaad veel interessants opsteken.

Op het station en in de leesbevorderend vertraagde trein richting symposium ('deze seinstoring werd u aangeboden door de NS in samenwerking met de Stichting Lezen'?) las ik Arjan Peters' Kreten uit een urn. Daarin rakelt hij onder meer het vuur op onder het standaardverhaal van de eermalige, zalig verklaarde, analoge criticus die tenminste nog wat voorstelde, de krachtig poortwachtende criticus die schrijvers kon maken of breken. Ter ontluistering van die mythe zegt Peters: 'In de twintig jaar dat ik kritieken schrijf in de Volkskrant heb ik nog niet één keer een schrijver gebroken, ik hoor het me haast me spijt zeggen.' (11)*

Dat lijkt me nog eens een mooie computationeel-kwantitatief-letterkundige casus. Digitaliseer en tag al die heilige Fens-recensies, lepel al de besproken auteurs uit dat kritisch oeuvre, en houd dat schrijverscorpus tegen een felle reputatie-onderscheidende modellichtbak, en kijk dan welke lijken er boven komen drijven en/of welke sterren kunstmatig blijken te hebben geschenen.

Mijn hypothese: nul op het rekest. Moge dat dan eens en voor al duidelijk zijn. Met cijfertjes. Dan zijn we van die fabel af. 4 ever. Probleempje is echter: welke tags brengt wie op welke gronden waar aan, oftewel: waar eindigt nu eindelijk eens die hermeneutische subjectiviteit? En verder: hoe bepaal je eigenlijk of een schrijver gemaakt dan wel gebroken is? Iets abstracter: het werken, zelfs: het beginnen te denken aan het werken met de prachtige mogelijkheden van de computationele letterkunde - en dat die er zijn, wisten alle sprekers tijdens het symposium in weinig tijd duidelijk te schetsen - is wellicht al een productieve, Jaussiaanse provocatie van de hermeneutische letterkunde.

* Ter zijde: merk op dat 'nog' hier geen stilistische stoplap, maar een in schijnbare spreektaal schuilgelegen dreigement is.

zaterdag, januari 12, 2013

Cijfers en letters-II

De krant van gisteren heb ik nog niet uit. Ik druppel even door. In het boekenkatern van de NRC gaat de onheilstijding over het boekenvak voort na de voorpagina en het commentaar. Maar 'onheil' heeft daar meer betrekking op de tijding, de berichtgeving, dan op wat er wordt bericht. Het betreft een stuk onder de titel 'Alles zal anders gaan'. In de ondertitel staat onder meer:

'verkoopaantallen zijn niet meer zo vanzelfsprekend'.

Lees en herlees dat eens op je gemak, en vraag je af wat het betekent, want zo vanzelfsprekend is het niet, nee.

In het artikel schrijft Maria Vlaar:

'Want hoe zouden de cijfers eruit hebben zien [sic] als de E.L. James-euforie níet een paar miljoen nieuwe klanten had gelokt [...]?'

Het gaat in deze krant in één enkele editie, die ik gisteren begon te lezen, van 'tienduizenden' in het commentaar, via 1.369.637 op de voorpagina, naar 'een paar miljoen' lezers van die grijzige tinten in de boekenbijlage. Kwantitatief een climax, kwalitatief en journalistiek bezien, het tegendeel.

En dan zwijg ik beleefd over de constructie van de zin. Het hierboven weggelaten deel luidt: 'en de totale jaaromzet hadden opgekrikt'. De nevenschikking van een enkelvoudig onderwerp ('de E.L. James-euforie') en een meervoudig lijdend voorwerp ('een paar miljoen nieuwe klanten') lijkt me rijp voor een taalkundige evaluatie door good old J.L. Heldring.

vrijdag, januari 11, 2013

Letteren en cijferen

Gaan zelden goed samen.

Eerst de vraag: wat beduidt dit?

Een zin zonder zin. En dat uit de pen van de commentator van de NRC, op 11 januari 2013, op pagina 2.

En dan te bedenken dat er op de voorpagina een foto met een grafiek staat:

664.557 + 381.361 + 323.719 = 1.369.637 (zegge: bijna eenmiljoenvierhonderdduizend). Leg dat maar eens uit als 'tienduizenden lezers'.

Ga ik gemakshalve uit van negen 'tienduizenden lezers' (het commentaar is kwantitatief niet erg sterk, maar tien 'tienduizenden lezers' zouden toch 'honderdduizenden lezers' heten, denk ik), dan hebben - commentaar en grafiek combinerend - volgens de NRC die lezers elk meer dan vijftien (15) exemplaren van die James-boeken gekocht, gemiddeld ieder meer dan vijf (5) exemplaren van elk deel van de serie, terwijl je toch ook in de grafiek kunt zien dat de aandacht voor James per deel minder werd. Van deel twee gingen er 283.196 minder over de toonbank dan van deel 1, en van deel drie weer eens 57.643 exemplaren minder dan van deel twee; een duidelijk geval van voortschrijdend lezersinzicht. Zo gek zijn ze niet, die lezers.

Hoe dan ook is er wel iets heel erg raars aan de hand geweest in de boekhandel in 2012. Of zijn dit onderzoeksgegevens van prof. S. te T.? Waarschijnlijk. Want van Peter Buwalda's Bonita Avenue zijn volgens diezelfde grafiek 100.000 - 200.000' exemplaren verkocht. In het veen, dat zich ver onder de drie kaskrakers bevindt, kijkt men niet meer op een turfje (zelfs Jamie Oliver is meer secuur met z'n maten en gewichten): een marge van 100%. Hoppa!*

Of moet ik die zin uit het commentaar, en vooral het woord 'Met', anders begrijpen: die lezers kochten zo'n grijstint, en tegelijk daarmee ook nog een boek, een echt boek?

*P.S.
Pardon, ik zie nu (14-01-2013) dat deze cijfers rechtstreeks, zonder reflectie ontleend zijn aan de of het CPNB Vreemd blijft het. In de top tien staat dit de lezen:

5 Paulien Cornelisse En dan nog iets Atlas Contact
6 Peter Buwalda Bonita Avenue
De Bezige Bij 7 Esther Verhoef Tegenlicht Anthos
en in de top 100 blijkt dat Cornelisse ex aequo met Buwalda op een postie met 100.000 - 200.000 exemplaren staat en Verhoef op een lagere positie met 75.000 - 100.000 exemplaren. Dat zou kunnen betekenen dat Cornelissen 200.000 exemplaren heeft weten te slijten, Buwalda 99.0000 à 199.000 en Verhoef 75.000 exemplaren. Daar zitten heel wat potentiële writers blocks tussen!

woensdag, december 19, 2012

Voortschrijdend inzicht

Ooit, lang geleden, in oktober 2007, verscheen er in Nederlandse letterkunde (jaargang 10, nr. 3, p. 177-193) een stuk van mijn hand onder de titel 'Nep echt; namaak en literatuur, in het bijzonder in de zaak-Julia'. Daarin probeerde ik woorden te vinden voor mijn verbazing over de verhouding tussen de waardering voor drie teksten: Eene liefde in het Zuiden (1881) van Fiore della Neve, de Mathilde-cyclus uit Perks Gedichten (1882) en Julia, een verhaal van Sicilië (1885) van Guido (oftewel Kloos, Verwey en kompanen).

De teksten zijn respectievelijk te karakteriseren als een in zijn tijd goed ontvangen en in zestien jaar zeswerf herdrukt verhalend gedicht, een niet onmiddellijk juichend ontvangen en pas vijftien jaar later voor het eerst herdrukte verhalende sonnettenreeks die maatgevend kon zijn voor een nieuwe, vooruitstrevende poëzieopvatting, en een mild ontvangen maar als pastiche bedoelde navolging van de eerste tekst, geschreven door liefhebbers van de tweede tekst.

Vanuit 2007 bezien, betoogde ik, denk ik, was het maar moeilijk te begrijpen dat men aan het eind van de negentiende eeuw esthetisch onderscheid kon maken tussen die drie teksten. Onaardig geformuleerd, en grof generaliserend vanuit mijn eigen optiek, zijn die teksten namelijk, voor een eenentwintigste-eeuwer, één pot nat, om niet te zeggen: blubber. Dat zou kunnen blijken uit de poëtische clichés die elk van deze liefdes-poëtische verhalen bevat.

Della Neve noch Perk noch Guido schuwt op weg naar publieke erkenning de platgetreden retorische paden van de vocabulaire wandelgids te begaan: 'hart' (rijmt inderdaad op 'smart'), 'ziel' en 'duizend'. Dat laatste lijkt me een op grensoverschrijdende wijze misbruikte hyperbool; check het zelf even via de DBNL in Perks Gedichten; het gaat van 'kleurenbogen' en 'blijde keren' langs 'bloemen' en 'zielen' en 'oogen' naar 'eeuwen', 'nare droomen' en 'echoos', maar het betekent steeds niets meer dan: 'veel'.

Om die overeenkomst in clichégebruik te staven, was ik daadwerkelijk aan het turven geslagen. En geheel on-hermeneutisch had ik die bevindingen in een tabel weergegeven (zie figuur 1, of pagina 180 van de eerder genoemde publicatie voor het origineel).


Figuur 1: Drie clichés in drie teksten; aantallen in absolute getallen en als percentage van het totaal aantal versregels per tekst. Vooral, om niet te zeggen: alleen, doordat ik momenteel doende ben met het geven van het college Schrijven & Presenteren, kwam ik erachter dat die tabel van mij anno 2007 werkelijk van geen enkele kant deugt. In dat S&P-college is Helder rapporteren van Peter Nederhoed het voorgeschreven handboek (en een van mijn dubbel gebodemde motto's daarvoor is: Wat Nederhoed doet, is goed). En Nederhoed leert: een tabel moet een opschrift hebben en alleen maar horizontale lijnen, en zo voorts (zie Nederhoed, 2011, pp. 159-171).

Dus legde ik (utile dulce) mijn studenten de problematiek voor, en dit (zie figuur 2) is wat ze me, in grove lijnen, adviseerden:


Figuur 2: Het absolute voorkomen van drie als lexicale clichés gedefinieerde woorden in drie historische literaire teksten uitgedrukt als percentage van het totaal aantal versregels per tekst. Over de precieze tekst van het onderschrift (want een grafiek heeft, anders dan een tabel, geen op- maar een onderschrift) moeten we nog een uurtje overleggen, denk ik, want zo eenvoudig is het niet om de do's en don't's van de empirische en de hermeneutische traditie te combineren. Feit blijft (om maar eens een ongefundeerde, maar populair-wetenschappelijke wending te gebruiken) dat de redactie van Nederlandse letterkunde destijds niet minder diep heeft zitten dutten dan ik. De grafiek anno nu is domweg dik duidelijker dan de tabel van destijds.

Grappig is wel dat tabel noch grafiek iets zinnigs te berde brengt. Althans, niet iets zinnigs over de contemporaine smaak. Anders gezegd: vanuit nu zou je op basis van die turfgegevens kunnen zeggen dat de Mathilde veel clichématiger is dan de tekst waar ze tegenover werd gesteld en zelfs dan de tekst, die de tekst waar ze tegenover werd gesteld, beoogde te pasticheren.

Mooi en aardig allemaal, maar al die clichés in Mathilde hebben er niet toe geleid dat de Tachtigers c.s. dachten dat die tekst clichématiger was dan Eene liefde, en zelfs niet dan de als 'bagger' bedoelde Julia. Ergo: het positieve oordeel van die lui over Mathilde en/of hun negatieve oordeel over Eene liefde en het door hen veronderstelde negatieve oordeel over Julia werd door iets anders veroorzaakt dan door het gebruik van (die drie) clichés.

Mijn eermalige interpretatie blijft denk ik wel gerechtvaardigd: 'dat Guido er goed in is geslaagd zijn tekst te laten lijken op wat in zijn tijd literair gangbaar en acceptabel was, althans geaccepteerd werd' (Stolk, 2007, p. 180). Geen voortschrijdend inzicht nog, bij nader inzien, maar voortschrijdende illuminatie.








donderdag, december 13, 2012

Nobody said it was easy

En ik kan het weten: eenendertig fouten in het dictee gisteren (wel heel erg streng geteld, elk streep je bijvoorbeeld, dus was ik extra blij dat ik die twee-onder-een-kapwoningwijk wel goed had). Maar de categorie van verkeerd gevat figuurlijk taalgebruik is vermakelijker dan die van de gewone spelfout (en no-goarea vind ik een fout gespeld woord, trouwens, of, omdat het goed is, afschuwelijk lelijk en ondoorzichtig). Als een schrijver de plank van de beeldspraak mist, krijg je als lezer de kans die misformulering beeldend op te vatten. Zoals eerder in dit sfeertje die Azarenka met heur bakkes vol tennisballen.

Maar nu dan ene Jordan Selburn die - met of zonder hulpmiddelen - verwachtingen een of andere meer of minder weke bodem in slaat of laat slaan. Ik zie dan een bezwete iSupplyer met zo'n ouderwetse kop-van-jutterige kermishamer een stel geconcretiseerde, puntige, hypertrofische verkoopverwachtingen de grond in meppen, net zo lang tot ze ver onder het maaiveld verdwenen zijn. De Amerikaanse marktonderzoeker recht na afloop grimlachend en modderbespat de stropdas. Voer voor striptekenaars.

Van die laatste beroepsgroep zou Onze taal er een in vaste dienst moeten nemen. Voor de lol, want aan de verbale uitleg van hoe een en ander in elkaar steekt, is mijns inziens niets mis.

Dat laatste kan niet van Van Dale gezegd worden. Die schrijft alleen maar: 'de bodem inslaan, vernietigen, verijdelen'. Daar schiet een Jordan Selburn niets mee op.

Of zou toch de Volkskrant-journalist die het stuk schreef over de terugval van de e-readers (13-12-2012, p. 25), verantwoordelijk zijn voor deze bijzondere wending? Kent het Engels wel een dergelijke uitdrukking? Ja, 'to dash', verbrijzelen, vermorzelen. Hmm, doe mij dan toch maar die bodem en dat onzichtbare, niet geheel vrijwillig meewerkende voorwerp, dat vat vol verwachtingen.